Pagina's

zondag 12 mei 2013

Veel te groen


Gedesillusioneerd keek hij me aan, zijn ogen afdwalend naar de grijze lucht. “Waarom gaan jullie nu al weg?”, had ik hem zojuist gevraagd. Een paar dagen geleden was hij met zijn gezin neergestreken op camping in de Dordogne waar ik die zomer werkte. Mooie camping, schitterend uitzicht op de rivier en volop vriendjes en activiteiten voor zijn kroost. Niets minder dan een paradijs voor de vakantie vierende familieman.
Niet voor dit exemplaar. “Je denkt toch niet dat ik hier nog langer blijf?”, zei hij spottend. “Het regent al twee dagen! Toen we hier aankwamen, zag ik meteen dat het foute boel was. Het is hier veel te groen.” Na vijftien jaar hoor ik nog steeds de licht spottende, verongelijkte toon waarop hij deze onsterfelijke woorden uitsprak.

O, vakantie. Die paar weken in het jaar waarin we op kosten van de zaak ‘even niets moeten’. Weken waarin we verstoken zijn van de dagelijkse sleur met bijbehorende ongemakken, weken waarin we eindelijk de droom kunnen leven die ons al maandenlang op abri posters is voorgespiegeld: zonovergoten zorgeloosheid.
Die paar weken worden dan ook geacht verre te blijven van alles wat ons aan ‘thuis’ herinnert, zoals regen, files, luidruchtige buren en onprettig horecapersoneel – zaken waarover wij ons weliswaar regelmatig hartgrondig beklagen, maar die wij over het algemeen toch accepteren als onlosmakelijk verbonden met het wonen in Nederland.
Komen dergelijke stoorzenders op vakantie op ons pad, dan is alle acceptatie plotseling ver te zoeken. Natuurlijk zit niemand te wachten op een dubbel geboekt hotel, lange files, een voedselvergiftiging door een verkeerde hamburger en vooral: donkere luchten. Niet op vakantie én niet in het dagelijks leven Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de vermeende plicht tot perfectie die om vakantie heen hangt, tijdens die paar vrije weken nu en dan zorgt voor een wat onrealistische interpretatie van de werkelijkheid.

Waar onze dorpen en steden ons thuis vaak niet groen genoeg kunnen zijn, staat een meer dan gemiddelde portie fris natuurschoon op vakantie symbool voor regen en dus: wegwezen! Ik heb mensen bijna gegeneerd verslag horen doen van vakanties zonder de hoeveelheid zon die ze van tevoren voor ogen hadden. Mijn eigen herinneringen aan enkele prachtige campings tijdens een lange rondreis die wij ooit maakten zijn besmet door die paar nachten met luidruchtige buren. Er zijn zelfs tv-programma’s die uitrukken om ons te redden van tot ‘vakantieleed’ gebombardeerde onprettige verrassingen.

Vier of vijf weken per jaar hebben we om het leven te leven waar we een heel jaar lang van dromen, weken waarvoor geldt: nú, of anders pas weer over een jaar. Dat ook geplande perfectie niet bestaat, heeft echter iedere vakantieganger ooit aan den lijve ondervonden. Het blijkt een illusie om onze vakantie volledig te vrijwaren van de onvoorspelbaarheid die ons dagelijks leven zo vaak treft,  met stip op één: slecht weer. In plaats van minder dagelijks leven in onze vakantie moeten we daarom misschien maar eens streven naar iets meer zorgeloos vakantiegevoel in ons gewone bestaan, zodat de druk in die paar weken wat minder groot wordt. En we ook op vakantie een groene omgeving gewoon kunnen waarderen als iets moois, in plaats van een recept voor ellende.

vrijdag 12 april 2013

'Jij Europeaan!'


'Mooi hoor, Australië. Maar ik zou hier niet willen wonen, het is zó ver weg van alles.' Ik was 22, liep mijn droomstage in een droomstad en werd geconfronteerd met een deel van mijn identiteit dat tot dan toe voor mijzelf volstrekt onopgemerkt was gebleven.
Namelijk: de Europeaan in mij, die er na die opmerking onmiddellijk verbaal van langs kreeg van mijn beduidend kosmopolitischer stagebegeleider. 'Wat nou, ‘ver weg van alles’? Bullshit! Zuidoost-Azië is just around the corner, Nieuw-Zeeland is two steps away…You have such a Eurocentred vision of the world.'
Om de hoek, dacht ik? Eurocentrisch? Waar heeft hij het over? Op weg naar Sydney had ik een tussenstop gemaakt in Indonesië, waar ik met dat opgeluchte gevoel van ‘we zijn er bijna’ mezelf na twaalf uur uit het eeste vliegtuig had gewurmd. Me niet realiserend dat ik nog zeven uur te gaan had voordat ik eindelijk op Australische grond zou landen. En dat noemde mijn stagebegeleider dichtbij? Dichtbij, dat vond ik Parijs, dat op drieënhalfuur treinen vanuit mijn woonplaats lag. Maar niet een regio waarvoor een vliegreis nodig was van dezelfde duur die mij vanuit Nederland aan de andere kant van de Atlantische oceaan kon doen belanden, in dat centrum van de wereldmacht. Dichtbij en Zuidoost Azië: een contradictio in termini, concludeerde is.

Mijn eurocentrische wereldbeeld had mij er blijkbaar van weerhouden in te zien dat afstand en positie beide een relatieve kant bezitten die alles met gevoel en ervaring, en weinig met objectief meetbare feiten te maken heeft. Het is dezelfde soort relativiteit die maakt dat wat voor Nederlanders een onmogelijk in één dag af te leggen afstand is, Down Under als een een ‘nice drive’ kan worden beschouwd. Ik sprak er mensen die werkten in Sydney en woonden in Brisbane, en iedere maandagochtend het vliegtuig pakten naar hun werkstad en vrijdagmiddag weer terug vlogen. Vonden ze heel gewoon.
Vrienden mailden mij dingen als ‘wat grappig dat je nu de hele tijd ondersteboven loopt’, wat de hele ervaring van aan-de-andere-kant-van-de-wereld-zijn tot een bijna mythische maakte, en associaties opriep met driebenige, tweehoofdige wezens. Maar in Sydney ging iedereen óók iedere dag naar zijn werk, naar de kroeg, naar het strand, naar huis. In die wereld waar ik tot dan toe geen weet van had, leefden de mensen (rechtop) heel gewoon en on-mythologisch hun leven alsof ze het centrum van de wereld waren. Iets dat ze in hun ervaring natuurlijk ook gewoon wáren.

Down Under ontdekte ik de Europeaan in mij, die de wereld inderdaad beschouwde vanuit de met de paplepel ingegoten visie dat Australië ver weg is van alles dat er in mijn eurocentrische wereldbeeld toe deed. Eenmaal verknocht aan het land en drie 36-uur-lange-vliegreizen er naar toe later, is de mentale afstand tussen het land en mijzelf kleiner dan die tussen mij en Delfzijl. Door de ander – in dit geval een land, of beter: een continent – te leren kennen, is hij nu allang geen vreemde meer. Losgeweekt van de mij zo vertrouwde positie in de wereld kon ik dat voor het eerst inzien.

Onlangs kocht ik een wereldkaart waarbij het zuidelijk halfrond centraal staat. Iedere keer als ik er naar kijk, herinner ik mij hoe de Europeaan in mij wakker werd – en vanaf dat moment een stukje opschoof, in zuidoostelijke richting.

maandag 11 maart 2013

Punaises

Iemand vertelde de volgende anekdote. Niet letterlijk, maar ik permitteer me enige dichterlijke vrijheid.
De persoon in kwestie, ik noem hem Frits, werkte als aannemer in Zimbabwe. ‘Kom, we gaan naar links’, sprak hij op een dag tegen de calculator van de lokale vestiging van het bouwbedrijf waarmee hij samen de bouwklus moest klaren. Maar de calculator wilde helemaal niet dezelfde kant op als Frits. Per definitie niet. Of Frits nu links, rechts of rechtdoor wilde gaan: de calculator zou altijd een andere kant kiezen dan die betweterige Nederlander. Frits wist echter op basis van zijn kennis, ervaring en vooronderzoek honderd procent zeker dat ze naar links moesten. Ten einde raad vroeg hij de directeur van de vestiging in Zimbabwe om advies. Hoe moest hij nu zorgen dat het project slaagde? De directeur zei tegen Frits: ‘Je zult de calculator nooit kunnen overhalen jouw kant op te gaan. Dus loop je met hem mee, maar blijf je vlak naast hem lopen. En gaandeweg geef je hem steeds een heel klein duwtje. Heel subtiel, zodat hij het nauwelijks door heeft. Totdat je een cirkel hebt gemaakt en je de door jou gewenste bestemming hebt bereikt. Eenmaal aangekomen, zul hij zien dat je gelijk had.’
Ik was onder de indruk van deze anekdote. Voor de zoveelste keer had ik mij die week gedwongen gevoeld  een kant op te gaan waarvan ik op basis van prachtige argumentatie kon aantonen dat daar niets goed wachtte. Ik had mijn voorkeursroute besproken met anderen, die de verschillende routes vaker hadden gelopen. Ik had zelfs stappen geteld, en bijgehouden hoe vaak degenen die de in mijn ogen onlogische route wilden volgen, te laat op hun bestemming kwamen. Geen bewijs of bevestiging was echter voldoende om de wandelaars waarmee ik op pad moest te overtuigen van mijn adviesroute, ook niet door de keren dat achteraf hun ongelijk werd bewezen. Met de nieuw opgedane wijsheid uit de Frits-anekdote voelde ik me sterk: met kleine duwtjes zou het voortaan vast wel lukken om op momenten dat ik zeker was van mijn zaak, de ander mijn kant op te sturen. 

Waar ik geen rekening mee had gehouden, en wat Frits blijkbaar bespaard was gebleven, was dat mijn spel haarfijn werd doorzien. Bij de eerstvolgende moeizame wandeling had degene met wie ik geacht werd de weg af te leggen, mijn subtiele geduw niet alleen onmiddellijk door, maar begon hij ook terug te duwen. Een stuk harder én slimmer dan ik. Fysiek had ik hem met moeite aan moeten kunnen. Als vlinderslagzwemmer is met mijn schouders niets mis. Maar ik was niet berekend op de kleine, onzichtbare wapens die hij tevoorschijn toverde op momenten dat ik begon te duwen. Aan zijn schouders had hij punaises bevestigd die steeds als ik tegen hem aanduwde, fel in mijn schouders prikten. Voor niemand zichtbaar, maar des te voelbaarder voor mij. De wandelstok die hij bij zich droeg tijdens het lopen, zette hij af en toe tussen mijn voeten zodat ik struikelde. Soms fluisterde hij me recht in mijn gezicht toe: "Ik weet waar je mee bezig bent. Als je maar niet denkt dat je mij van mijn pad af kunt brengen."
Noch zijn gedrag, noch mijn verwondingen – blauwe enkels, bloedende schouders – waren voor omstanders zichtbaar. Wel werd steeds maar hardop gevraagd waarom we er nu zo lang over deden om de eindstreep te halen en waarom zowel ik als mijn medewandelaars er aan het einde zo ongelukkig uitzagen. Waar lag dat toch aan? Twijfels begonnen te rijzen. Ten aanzien van mij. Ten aanzien van mijn route en de haalbaarheid van de eindbestemming. Ik twijfelde mee, harder dan dan de rest. Wie was ik nu eigenlijk helemaal om te pretenderen dat ik de wijsheid ten aanzien van de juiste route in pacht had. Het feit dat die wijsheid bevestigd werd door de vele meer ervaren wandelaars die ik had geraadpleegd, maakten voor mijn twijfels geen verschil.
Hoe dit verhaal afloopt? Joost mag het weten. Of liever gezegd, Frits.  Ik hoop dat hij een antwoord heeft, wanneer ik weer bij hem te rade ga. Natuurlijk heb ik zelf nagedacht over oplossingen. Zoals het bevestigen van punaises aan mijn eigen schouders. Of het meenemen van een wandelstok met een akelige punt. Tegelijkertijd weet ik dat dit niet alleen inefficiënt is, maar ook dat ik dit niet durf. Of wil.

Er moeten toch andere wegen zijn om de wandeling voor beide lopers te veraangenamen én te verkorten. Heel lang kan de juiste oplossing niet op zich laten wachten. Die omwegen beginnen aardig in de papieren te lopen.

Bovendien ben ik door mijn voorraad pleisters heen. 

vrijdag 1 maart 2013

'Ik begroet klanten altijd met een glimlach!'


In The Simpsons, belegen kostschoolboekjes of Ot en Sien-achtige kinderseries komen ze nog wel eens tevoorschijn: kinderen die voor straf vijftig keer ‘ik mag niet jokken/de meester tegenspreken/kauwgom onder mijn bureau plakken/een andere misdaad die floreert in schoolse contexten’  met een krijtje op het schoolbord kalken. Niets  schoolpsycholoog of andere zachte heelmeesters, nee: linea recta over naar de stinkende wond van het na schooltijd uitentreuren herhalen van een regel die het kind natuurlijk geheel niet vreemd was, maar desalniettemin onvoldoende verweven was met zijn persoonlijkheid dat hij er ook uiting aan kon geven. Het zijn in de series en boeken waarin strafregels een rol spelen, immers altijd dezelfde die zich via het schoolbord keer op keer moeten verantwoorden voor hun slechte gedrag. Het schrijven van strafregels lijkt nauwelijks tot geen effect op het gedrag te hebben.
Een omgekeerde vorm van de ‘Ik mag niet’-regels kwam ik tegen op weg naar een vergadering in het zalencentrum van de V&D. Op maandagochtend is de winkel gesloten en bezoekers van het zalencentrum dienen daarom via de personeelsingang van het warenhuis de weg  naar hun zaal te vinden.
Aldus geschiedde. Via een sombere ingang in een onguur ogend steegje betraden mijn collega’s en ik de krochten van het warenhuis en vonden onze weg naar de trap richting onze zaal. Bevestigd op de ruimtes tussen de traptreden die de medewerkers van V&D dagelijks beklimmen op weg naar de kleedkamer of het personeelsrestaurant, stonden teksten – niet te missen voor het oog.

‘Ik begroet klanten altijd met een glimlach!’ ‘Als er drie mensen in de rij staan, open ik er een kassa bij!’ ‘Ik reageer altijd wanneer het alarm bij een detectiepoortje af gaat!’

Als een mantra dreunden de bevelen door, trede na trede, trap na trap. Met iedere stap groeide mijn verbijstering over deze preventieve strafregels waarmee de V&D haar medewerkers blijkbaar tot goed gedrag aanspoort. In de achterkamertjes van het warenhuis, verscholen tussen de traptreden van de personeelsingang, voor het grote publiek niet zichtbaar maar voor de medewerker onvermijdelijk werd ingeprent hoe het in het warenhuis in zijn werk diende te gaan.

Dit meen je niet, was mijn eerste gedachte. Dit moet een grapje zijn, mijn tweede. Dit kan niet waar zijn, volgde daarop.  
Eenmaal boven had mijn irritatie een zodanig niveau bereikt dat ik zeker wist die dag geen glimlach meer tevoorschijn te kunnen toveren. Mijn collega’s begrepen niet waar ik me druk om maakte. “Er zijn nu eenmaal groepen mensen voor wie het niet vanzelfsprekend is zich als winkelmedewerker klantvriendelijke te gedragen”, meende een collega. “Die moet je gewoon op een schoolse manier aanpakken.”  
In de weken daarna dacht ik nog vaak terug aan het militaire mantra in het trappenhuis van de V&D en de sussende woorden van mijn collega. Bijvoorbeeld toen ik na twintig minuten in een acht mensen lang tellende rij in de V&D in mijn woonplaats werd geholpen door een verveeld kijkende, kauwgom kauwende verkoopster op wiens gezicht geen glimlach te bekennen was. En de keer daarna, toen de dienstdoende oudere kassamedewerkerster mij nauwelijks een blik waardig keurde terwijl ik mijn nieuwe sokken afrekende.

Ook schoot het mantra me te binnen toen ik terugdacht aan een van mijn vorige werkgevers, die gedragsteksten in de vorm van tegeltjeswijsheden had laten opstellen die iedereen uit zijn hoofd diende te leren. Resultaat: nul komma nul. De mensen in wie het gewenste gedrag al van nature aanwezig zat, hoefden niet op een tegeltje te lezen dat ze verantwoordelijkheid voor hun werk moesten nemen en flexibel moesten zijn. De houding van het deel in wiens psychologische huishouding dit niet aanwezig was, was door geen tegeltjeswijsheid te veranderen. Waar regels in sommige gevallen zeker op zijn plaats zijn, is een houding toch echt iets dat uit mensen zelf komt en doorgaans alleen verandert wanneer  mensen de noodzaak daarvoor van binnenuit voelen. Bijvoorbeeld omdat ze merken dat ze met vriendelijkheid meer bereiken.
‘Je krijgt wat je geeft’, luidde de naam van een campagne van de ontwikkelingssector tegen voorgenomen bezuinigingen. Een interessante waarheid. Behandel je mensen bevoogdend, dan zullen ze zich als kinderen gedragen. Wantrouw ze door thuiswerken te weigeren en een prikkloksysteem te hanteren, en een negen-tot-vijf mentaliteit zal het gevolg zijn. Neem ze serieus, en overeenkomstig gedrag zal het gevol zijn. Voer regels in en recalcitrantie zal welig tieren.

Van een dagelijks  mantra op de traptreden zal een medewerker die niet begrijpt waaróm het belangrijk is te glimlachen naar een klant, echt niet in een vrolijke Frans veranderen. De kans daarop is groter wanneer hij of zij wordt uitgedaagd zich te verplaatsen in een klant die te maken krijgt met een onvriendelijke winkelmedewerker, bijvoorbeeld in de vorm van een rollenspel, en zich gaat realiseren hoe hij of zij het zelf zou vinden om onvriendelijk behandeld te worden. Of waarom het belangrijk is om snel een extra kassa te  openen: ook de medewerkers zelf vinden lang in een rij staan niet prettig, of wel?
Ja, dat vergt meer creativiteit en moeite dan het op de traptreden plakken van dogma’s. Maar om er dan zelf maar even een tegeltjeswijsheid tegenaan te gooien: alles wat aandacht krijgt, groeit. Ook de V&D medewerker.

maandag 17 december 2012

Ontwikkelingshulp is geen liefdadigheid

Ontwikkelingshulp een linkse hobby? Niets van waar, betoogt de Duitse filosoof Thomas Pogge. Nota bene in het schadebeginsel van John Stuart Mill, de grondlegger van het liberalisme, ligt verankerd dat ontwikkelingshulp net zo goed past bij rechtse liberalen. Rijke Westerse landen dragen bij aan het ontstaan en in stand houden van armoede in de wereld, wat ontwikkelingshulp tot een negatieve plicht voor zowel links als rechts maakt.

Hoe? Lees hier mijn essay in het decembernummer van Filosofie Magazine.

zondag 16 december 2012

Dat onmiskenbare NS-toontje

Zou het rust geven? Een houvast zijn in de hectische dagelijkse praktijk? Kuddegedrag? Codetaal voor de in-crowd En na hoeveel tijd zou het zich openbaren - een week? Een paar maanden?
In alle onzekerheid die een rit met de trein met zich meebrengt, is er voor de reiziger één constante factor: de toon waarop en woorden waarmee het NS-personeel ons bericht over al dan niet vertraagde aankomst- en vertrektijd, tussengelegen stations, overstapmogelijkheden en het feit dat het nog geen negen uur is en er dus niet met korting mag worden gereisd. Excuses, triomfantelijkheden (want op tijd aangekomen), reisdetails: op dat onmiskenbare NS-toontje komen ze tot ons. Een toon die verraadt hoeveel keren het riedeltje al is opgedreund en waaruit dus een heel voorzichtige schatting te maken valt van het aantal ritten Den Haag - Utrecht de betreffende conducteur al in (goede) banen heeft geleid. En een vocabulaire dat niet uitblinkt in originaliteit. Of ik nu mijn dagelijkse Randstedelijke forenzentraject afleg, in zuidelijke regionen trein of naar het hoge noorden reis: de trein vertrekt standaard "in de richting van station X", "zal onderweg nog stoppen te", en nadat in de buurt van een aankomststation waar we "over enkele ogenblikken"zullen aankomen" het vervolgtraject is besproken, volgt steevast: "maar nu eerst, Utrecht Centraal". Hoewel dit natuurlijk feiten zijn die onlosmakelijk met de dienstverlening van een spoorwegvervoerder verbonden zijn, is het toch opmerkelijk dat in de veelheid van manieren waarop deze gebracht kan worden, alle terugvallen op eenzelfde taalmelodie.
De intonatie is onmiskenbaar. "Over enkele ogenblikken Den...Haag....Cen.....traal", waarbij 'over enkele ogenblikken' op hoge en opgewekte toon wordt aangezet, afzakkend naar laag wanneer de plaatsnaam nadert. Bij een stad met een R in de naam wordt deze letter extra nadruk meegegeven: "Rotterrrrrrrdam/Amsterrrrrrrrrrrdam Centraal".
Wanneer de "eindbestemming" nadert, worden de reizigers behoed voor velerlei kwalen. Zo moeten we vooral aan onze "persoonlijke eigendommen" denken (dus niet aan die van een ander) en deze niet alleen een gedachte gunnen, maar "ook meenemen".
Jong of oud, man of vrouw, autochtoon of allochtoon: welke stem er ook uit de speaker klinkt, allen klinken eenduidig. Misschien staan de mededelingen aldus beschreven in de studieboeken van de conducteursopleiding en moet men ze zo vaak opdreunen dat verse conducteurs taalkundig al geprogrammeerd zijn voordat ze hun eerste intercity klaarmaken voor vertrek. Misschien is het beroepsjargon, net zoals managers collectief over uitdagingen in plaats van problemen spreken en een overleg tussen twee mensen op menig kantoor een 'bila' heet. Een soort onderlinge taalkundige verbondenheid: wij begrijpen elkaar.
Houden zo. In een zo aan externe invloeden onderhevige dienstverlener als de NS is het wel zo fijn om érgens op te kunnen vertrouwen. Al is het dan op de taal.






maandag 8 oktober 2012

De forenzentaks was de redding van de gewone man

Hij was zo’n leuke, gewone man. Drie kinderen, aardige vrouw, keurige baan, mooi huis. Wie had toch ooit kunnen denken dat juist hij het was die zijn vrouw zou bedriegen met een veertien jaar jongere vrouw? Om maar helemaal niet te spreken over de eveneens keurige heer, politieagent nota bene, die zijn buitenechtelijke relatie met de beste vriendin van zijn vrouw drie jaar lang verborgen wist te houden. Vreemdgangers, maar ook fraudeurs, oplichters en zelfs veroorzakers van familiedrama’s: het zijn altijd de ogenschijnlijk zo aardige, nette en vooral gewone mensen die dergelijke delicten plegen. Net zoals het in detectives nooit de onguur ogende zwerver, maar altijd de o zo betrouwbaar uitziende man of vrouw is die de gruwelijke moord blijkt te hebben gepleegd.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van de reactie van Ronald Plasterk op de geschrapte forenzentaks. Gelukkig, jubelde Plasterk, hij is van de baan: de maatregel die de gewone man zou treffen die iedere dag keurig met de auto of trein naar zijn werk gaat.

Verschillende groepen in de samenleving zijn om allerlei redenen in het nieuws, positief dan wel negatief. Bijstandsmoeders vanwege hun doorzettingsvermogen of gebrek aan werklust, allochtonen vanwege hun buitengewone integratie of het gebrek eraan, topsporters vanwege hun glorieuze overwinning of jammerlijk falen, directeuren vanwege hun bewonderenswaardige winst of astronomische oplichting, topvrouwen vanwege hun toe- of afnemende aantal, studenten vanwege hun uitblinken of zesjescultuur. Allemaal, kortom, zijn ze op hun eigen manier nieuwswaardig.
Niet de gewone man.

De eigenschap waarmee de gewone man zich onderscheidt, is dat hij juist niets doet wat onderscheidend genoeg is om vermeld te worden. De gewone man zorgt voor voldoende belastinginkomsten voor de bijstand van de moeders, de financiering van de studenten, de sponsoring van topsporters, de carrière van directeuren - maar heeft zelf geen nieuwswaarde. De gewone man is de onzichtbare, stabiele motor die de economie draaiende houdt. Hij is het maaiveld dat de maat aangeeft waarboven anderen uit kunnen steken of onder kunnen vallen. Zijn verdienste zit hem in het gewoon zijn: een nette baan, een keurige relatie, liefst ook nog kinderen, een huis zonder pretenties.

Waar bijstandsmoeders, studenten en chronisch zieken er steevast aan hun haren worden bijgesleept wanneer abominabele bezuinigingsplannen worden gepresenteerd, en goed zijn voor tranentrekkende reportages, is de gewone man niet zo knuffelbaar. Hij opereert in de luwte en leeft gestaag zijn keurige leven. Onopgemerkt, en nooit uitbundig gewaardeerd.

Je zou er als gewone man een complex van krijgen.

En dat geeft te denken. Waarom zijn het toch altijd die mensen waarvan we het niet verwachten die vreemdgaan? Waarom staat het woord ‘oplichter’ zelden op het voorhoofd van de betreffende geschreven? Waarom zijn mensen die ineens buiten de gebaande paden gaan, op het eerste gezicht altijd zo gewoon?
Omdat we geen idee hebben wat er diep in het hart leeft van al die gewone mannen en vrouwen die iedere dag in de file staan of zich in een treincoupé wurmen. Omdat slechts de uitzondering ons verbaast (‘waarom heb jij geen baan/kinderen’) en niet het gewone (‘waarom heb jij eigenlijk kinderen? Oh, omdat je vrouw ze zo graag wilde?’). Omdat alleen degenen onder of boven het maaiveld de krant halen. Omdat de gewone man, laten we eerlijk zijn, zich zelf wel redt.

Daarom was de forenzentaks misschien wel het beste wat de gewone man kon overkomen. Hij had eindelijk de aandacht, van de politiek nota bene! Collectieve verontwaardiging viel hem ten deel. Het was nu eens niet de zelfkant van de samenleving die slachtoffer dreigde te worden van deze bezuinigingsoperatie, maar die doodgewone keurige man, die belemmerd dreigde te worden in zijn gewoonheid. Hij deed ertoe! Leve de forenzentaks als politieke correcte escape voor de gewone man!

Nu zijn er plannen om de misgelopen forenzentaks te verhalen op investeringen in het aan het werk houden van ouderen. Een groep die aan aandacht toch al niet te klagen heeft, en waar beleidsmakers op alle mogelijke terreinen hun hoofd al over breken.
En de gewone man zakt weer weg naar de anonimiteit, waar hij weerloos en met toenemende jaloezie en frustratie moet toezien hoe concurrerende groepen zich koesteren in knuffelreportages en demonstraties op het Malieveld.

Afschaffers van de forenzentaks: u bent gewaarschuwd.