‘Zestig euro? Dat is een 1 april-grap, neem ik aan?’ brieste ik tegen de agente die het in haar hoogblonde hoofd had gehaald om mij om zeven uur ’s ochtends, op een ijselijk stil kruispunt in een bijzonder slaperig stuk stad te beboeten omdat ik door rood had gefietst. Hoe durfde ze, schoot als een lichtbalk onophoudelijk door mijn hoofd. ‘Iedere dag ontkom ik wel een keer op een haar na aan een bloederig ongeluk als ik zelf niet uitkijk, door al die bellende en geen voorrang verlenende automobilisten, en dan ben ik nu de sjaak?’ ‘Ik bedenk de regels niet’, sprak ze met onbewogen gezicht, terwijl ze mijn gegevens overschreef van mijn rijbewijs. Nee, doos, maar jij besluit wel mij te bekeuren voor zo’n asociaal bedrag, slingerde ik net niet naar haar hoofd – die ambtenaren in functie schijnen beledigingen niet zo goed te trekken.
Opgefokt reed ik verder, om op mijn werk in geuren en kleuren het relaas over dit exorbitante onrecht met iedereen te delen die het maar horen wilde. Roerend met me eens waren ze het, mijn collega’s, die me bij wijze van troost prompt allemaal trakteerden op nog veel hogere en onrechtvaardigere boetes. Gajes was het, die politie, concludeerden we eensgezind; de halve wereld bezondigde zich dagelijks aan de meest grove en levensgevaarlijke overtredingen; en wij doen één keer iets wat eigenlijk niet mag maar waarmee we niemand in gevaar brengen, en we zijn gelijk de sjaak. Hoe durven ze.
Nee, hoe durven wij boos te worden om een boete.
Wat hier gebeurt, is namelijk exact waar Plato voor waarschuwt in De Staat, waar hij de verschillende staatsvormen beschrijft en signaleert dat de specifieke eigenschap van iedere staatsvorm, ook precies datgene is wat tot de ondergang ervan kan leiden. In een oligarchie, een staatsvorm waarin de staat geregeerd wordt door een kleine groep rijken, ontstaat op den duur zoveel onvrede over de grote inkomensverschillen tussen arm en rijk, dat de armen zich verenigen, in opstand komen en de rijke heersers omver zullen werpen. Resultaat: democratie, waarin het volk aan de macht is.
Nu had Plato wel een andere vorm van democratie voor ogen dan de vorm die wij heden ten dage kennen. In Plato’s democratie regeerde letterlijk iedereen, en had iedereen directe inspraak in de manier waarop de staat werd bestuurd. Maar hetgene dat volgens Plato tot de ondergang van de democratie leidde, is helemaal niet ondenkbaar in onze eigen interpretatie van deze staatsvorm. Het gevaar van democratie dat Plato schetste is namelijk dat het volk, vanwege alle inspraak die zij heeft, wars gaat worden van iedere vorm van regelgeving. Zo wars, dat zij op den duur geen enkele regel meer tolereert. Waarom zouden zij zich door iemand iets laten vertellen? Niemand is toch machtiger of heeft meer te zeggen dan een ander?
Het gevolg is, volgens Plato, dat gevaarlijke volksdemagogen die zeggen het op te nemen voor het volk, in het machtsvacuum springen dat ontstaat, en met harde hand en op brute wijze zich alsnog macht toe-eigenen. Voila: de tirannie is geboren, die het eens zo machtige volk rucksichtloos zal onderdrukken. Daarmee heeft ook het kenmerk van de democratie – de macht is van iedereen – geleid tot haar ondergang, en is zij terecht gekomen in de laagst denkbare staatvorm.
Bij het lezen van Plato gingen mijn ogen open, en zag ik mijn reactie op de mij beboetende agent ineens in retrospectief. Want wat die agent deed, was mij bekeuren voor het verrichten van een handeling die volgens de wet is verboden. Die wet kent geen voorbehoud dat iemand last moet hebben gehad van mijn door rood fietsen, nee: door rood fietsen is verboden, punt uit. En de boete die onze democratische wet daaraan heeft gekoppeld, bedraagt nu eenmaal zestig euro.
Onze democratie is echter ook in mij zo doorgeschoten, dat ik mij onrechtvaardig behandeld voel door iemand die niets anders doet dan mij op de wet wijzen die is gemaakt door onze democratisch gekozen regering.
Met mijn overtuiging dat de wet op dat moment absoluut niet voor mij had moeten gelden, heb ik me een stap dichterbij de glijdende schaal van de democratie gewaagd – op naar de tirannieke afgrond.
De volgende bekeuring zal ik deemoedig en beschaamd in ontvangst nemen, iedere neiging tot scheldkannonades inslikkend. Plato zal trots op me zijn.
dinsdag 8 november 2011
vrijdag 2 september 2011
De chauffeur hóórde de piepende banden niet eens
Rustig draaide het witte busje de bocht om, met in zijn kielzog een klein, met reclameteksten bedrukt wagentje dat een fractie groter was dan een Smart. Het busje nam de tijd, zocht blijkbaar naar het juiste adres, en reed na een korte aarzeling de stoep op, daarbij verzuimend aan te geven in welke richting hij van plan was zich te bewegen. Dit tot groot verdriet van de bijna-Smart-bestuurder, die zich inderdaad een seconde moest inhouden voor het busje. Met een felle zwaai aan het stuur maakte deze vervolgens een overdreven ruime bocht langs het busje, om zich vervolgens met piepende remmen, een druk op de claxon en een opgeheven vuist uit de voeten te maken.
Van langzaam busje noch agressief bijna-Smartje had ik als fietser en buitenstaander in deze kleine verkeersvete last, en daarom kon ik de situatie eens objectief en zonder gevoelens van welke categorie dan ook analyseren. En wat ik observeerde, was dat niet de pittige bijna-Smartbestuurder was hier als dominante partij fungeerde. Het was de zich van geen kwaad bewuste chauffeur van het busje die hier voor de toeschouwer als morele winnaar uit de bus kwam. De chauffeur die geen grotere misdaad had begaan dan zoeken naar het huisnummer waar hij wezen moest, en – waarschijnlijk uit vreugde het juiste adres gevonden te hebben – verzuimde zijn knippertje aan te zetten, kalm zijn wellicht wat onhandige rustig en onbekommerd over zich heen liet komen. Het was een overwinning van de rust op de onrust, het ‘zijn’ versus het ‘was jij gvd maar wat sneller en alerter’, de vreedzaamheid versus de agressie. Agressie tegen een daad waar wij ons – laten we eerlijk zijn – allemaal schuldig aan maken. Want wie is er nu niet af en toe lomp, onhandig of domweg asociaal in het verkeer?
Verkeerslompheid kent waarschijnlijk hetzelfde fenomeen als hetgeen het blad J/M in 2007 na onderzoek ontdekte: net zoals driekwart van de ouders zich ergert aan andermans kind, maar de eigen bloedjes voorbeeldig opgevoed vindt, zo vindt waarschijnlijk ook (meer dan) driekwart van de verkeersdeelnemers zichzelf een toonbeeld van begrip, voorkomend- en oplettendheid. Maar praat hen niet van al die andere minkukels op de weg. Het aantal dagdromers, bellers, slakken, tour-de-France-wannabees en andere dwarsliggers is werkelijk niet te tellen, zal iedere willekeurige weggebruiker vol overtuiging beweren. Het is dan ook niet raar dat we ons regelmatig moeten bedienen van middelvinger, claxon, bel, opgeheven vuist of stemgeluid. Ze vragen erom!
Als stevig doorfietsende verkeersdeelnemer in één van de vier grote steden zal ik dat laatste zeker niet ontkennen. Want ook verbaas me er nog dagelijks over dat ik het er zowel op de heen- als de terugweg heelhuids van heb afgebracht, en luid bellen, uitroepen van frustratie en piepende fietsbanden zijn activiteiten die mij allerminst vreemd zijn.
Maar het simpele gegeven dat zich vandaag aan mij openbaarde, bij het aanschouwen van het tafereeltje tussen busje en bijna-Smart, was dat het enige slachtoffer van middelvingers, vuist, piepende banen of scheldkannonade toch echt degene zelf is die scheldt, met vuisten schudt of de prutser in het verkeer voor rotte vis uitmaakt. De chauffeur van het busje hoorde de piepende banden niet eens. De opgeheven vuist zag hij al helemaal niet door de snelheid waarmee de bijna-Smart de bocht om was gescheurd. Het gebaar, de boodschap die de andere partij wilde overbrengen, kwam bij gebrek aan een geschikt medium geheel niet over. Een schuldgevoel? Als voorbeeldige chauffeurs die we onszelf plegen te vinden, zullen we hooguit denken: mogen wij ook een keer iets langzamer rijden dan wellicht de bedoeling is? We doen het altijd al zo goed?
Het kleine schouwspel tussen de twee weggebruikers openbaarde aan mij ineens zo duidelijk de treurige zinloosheid van agressieve reacties op stuntelaars. Agressie die dankzij de solide schil waarin automobilisten zich bevinden – zowel fysiek als geestelijk, vanuit de vermeende superioriteit ten aanzien van alle anderen in het verkeer – op niemand anders terugslaat dan onszelf. 1-0 voor het busje.
Van langzaam busje noch agressief bijna-Smartje had ik als fietser en buitenstaander in deze kleine verkeersvete last, en daarom kon ik de situatie eens objectief en zonder gevoelens van welke categorie dan ook analyseren. En wat ik observeerde, was dat niet de pittige bijna-Smartbestuurder was hier als dominante partij fungeerde. Het was de zich van geen kwaad bewuste chauffeur van het busje die hier voor de toeschouwer als morele winnaar uit de bus kwam. De chauffeur die geen grotere misdaad had begaan dan zoeken naar het huisnummer waar hij wezen moest, en – waarschijnlijk uit vreugde het juiste adres gevonden te hebben – verzuimde zijn knippertje aan te zetten, kalm zijn wellicht wat onhandige rustig en onbekommerd over zich heen liet komen. Het was een overwinning van de rust op de onrust, het ‘zijn’ versus het ‘was jij gvd maar wat sneller en alerter’, de vreedzaamheid versus de agressie. Agressie tegen een daad waar wij ons – laten we eerlijk zijn – allemaal schuldig aan maken. Want wie is er nu niet af en toe lomp, onhandig of domweg asociaal in het verkeer?
Verkeerslompheid kent waarschijnlijk hetzelfde fenomeen als hetgeen het blad J/M in 2007 na onderzoek ontdekte: net zoals driekwart van de ouders zich ergert aan andermans kind, maar de eigen bloedjes voorbeeldig opgevoed vindt, zo vindt waarschijnlijk ook (meer dan) driekwart van de verkeersdeelnemers zichzelf een toonbeeld van begrip, voorkomend- en oplettendheid. Maar praat hen niet van al die andere minkukels op de weg. Het aantal dagdromers, bellers, slakken, tour-de-France-wannabees en andere dwarsliggers is werkelijk niet te tellen, zal iedere willekeurige weggebruiker vol overtuiging beweren. Het is dan ook niet raar dat we ons regelmatig moeten bedienen van middelvinger, claxon, bel, opgeheven vuist of stemgeluid. Ze vragen erom!
Als stevig doorfietsende verkeersdeelnemer in één van de vier grote steden zal ik dat laatste zeker niet ontkennen. Want ook verbaas me er nog dagelijks over dat ik het er zowel op de heen- als de terugweg heelhuids van heb afgebracht, en luid bellen, uitroepen van frustratie en piepende fietsbanden zijn activiteiten die mij allerminst vreemd zijn.
Maar het simpele gegeven dat zich vandaag aan mij openbaarde, bij het aanschouwen van het tafereeltje tussen busje en bijna-Smart, was dat het enige slachtoffer van middelvingers, vuist, piepende banen of scheldkannonade toch echt degene zelf is die scheldt, met vuisten schudt of de prutser in het verkeer voor rotte vis uitmaakt. De chauffeur van het busje hoorde de piepende banden niet eens. De opgeheven vuist zag hij al helemaal niet door de snelheid waarmee de bijna-Smart de bocht om was gescheurd. Het gebaar, de boodschap die de andere partij wilde overbrengen, kwam bij gebrek aan een geschikt medium geheel niet over. Een schuldgevoel? Als voorbeeldige chauffeurs die we onszelf plegen te vinden, zullen we hooguit denken: mogen wij ook een keer iets langzamer rijden dan wellicht de bedoeling is? We doen het altijd al zo goed?
Het kleine schouwspel tussen de twee weggebruikers openbaarde aan mij ineens zo duidelijk de treurige zinloosheid van agressieve reacties op stuntelaars. Agressie die dankzij de solide schil waarin automobilisten zich bevinden – zowel fysiek als geestelijk, vanuit de vermeende superioriteit ten aanzien van alle anderen in het verkeer – op niemand anders terugslaat dan onszelf. 1-0 voor het busje.
vrijdag 26 augustus 2011
Speciaal voor vrouwen
Glazen plafond, old boys network, vrouwen die minder verdienen dan mannen voor hetzelfde werk: uitingen van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen kunnen doorgaans rekenen op een pek-en-veren behandeling. Mannen en vrouwen zijn immers tot hetzelfde in staat, zo luidt de publieke opinie, en wie durft te suggereren dat vrouwen minder talent, aanleg of ambities hebben om CEO van Shell of een andere grote jongen – pardon, eh, grote m/v in het zakenleven – te worden, wordt in de regel weinig vriendelijk bejegend.
Allemaal leuk en aardig. Maar waarom doen we het onszelf aan om krampachtig vast te blijven houden aan iets wat toch niet meer is dan een utopie, een wensdroom, een schoolvoorbeeld van wishful thinking? Want laten we eerlijk zijn: wij vrouwen zijn nu eenmaal fundamenteel anders dan onze masculiene tegenhanger. En hoe naar en akelig en onemancipatoir het ook is en vooral klinkt: sommige dingen kunnen wij nu eenmaal minder goed dan zij. Neem inparkeren. Waar de mannelijke chauffeur – op een enkeling na – de bolide doorgaans met één vinger aan het stuur en twee in de neus achteruit een klein en door paaltjes omgeven parkeerplekje indraait, krijgt de gemiddelde vrouw dit niet zonder een paar keer steken, gezucht en gevloek voor elkaar. Zelf parkeer ik de auto liever een kilometer van mijn huis dan dat ik dat ene plekje voor de deur pak dat een achterwaartse inparkeermanoeuvre met zich meebrengt. Laatst hoorde ik een vriendin van me, toch zeker geen onverdienstelijke chaffeuse en met nota bene een auto van de zaak, tegen haar vriend zeggen: "Rij jij vanavond maar naar X. en Y. hoor, het is bij hen altijd zo lastig parkeren."
Is dat erg? Nee. Gezien de talloze dingen die vrouwen beter kunnen dan mannen, is er helemaal niets mis mee om het beestje bij de naam te noemen en gewoon luid en duidelijk te zeggen: vrouwen kunnen nu eenmaal minder goed parkeren dan mannen. In Duitsland hebben ze dit uitstekend begrepen. Meer dan dat zelfs. Niet alleen erkennen zij in mannen de meerdere op parkeergebied, de Duitse parkeergaragearchitecten komen ook nog eens vrouwen tegemoed bij het vinden van een probleemloze parkeerplek. Zoals in deze parkeergarage in Heidelberg, waar parkeerplaatsen speciaal voor vrouwen zijn aangemerkt. Een stukje ruimer, zonder lastige bochtjes, en ook nog dichter bij de uitgang van de garage, zodat de dames niet eindeloos hoeven zoeken in de donkere, vaak unheimische garage naar de plek waar ze hun auto ook weer hadden neergezet. Ik zeg: hulde aan onze oosterburen. Wanneer volgt Nederland dit voorbeeld?
dinsdag 2 augustus 2011
Kraanwater? Dat verkopen wij niet
“Kraanwater? Dat verkopen we niet”, zegt de restaurantmedewerkster zonder blikken of blozen. Dat hoeft ook niet, wil ik roepen: kraanwater komt namelijk gewoon uit de kraan, en daarvoor betaal je ongeveer 0,0014 cent per liter Nagenoeg niets dus, en er is dan ook geen enkele acceptabele reden om mij dit te weigeren. Maar inmiddels weet ik dat onderhandelen over dergelijke zaken geen zin heeft, en slik ik mijn voorgenomen reactie in om me te beperken tot een ‘laat dan maar zitten’. Dan maar geen water. Want no way dat ik instem met het alternatief: het neertellen van 4,50 euro voor een fles ‘bronwater’.
Het is het toppunt van de ongastvrijheid van de Nederlandse horeca: categorisch weigeren om gasten kosteloos van een eerste levensbehoefte als kraanwater te voorzien. Ik begrijp dat gasten in een horecagelegenheid geacht worden om geld te spenderen, en dat het runnen van een restaurant of café geen liefdewerk oud papier is. Maar gasten die een volledig diner inclusief fles wijn nuttigen een glas kraanwater ontzeggen bij hun maaltijd, en er op staan de toch al niet kinderachtige rekening nog verder op te schroeven door te laten betalen voor standaard overpriced spa blauw dan wel rood, getuigt van wel een verbazingwekkende en bovendien onnodige krenterigheid.
Enkele maanden geleden in Australië, tijdens een diner – uiteraard met gratis water, dat reeds bij binnenkomst op tafel wordt gezet – met een goede vriendin, vertelde ik haar over de Hollandse watermentaliteit. “Are you kiddin’ me?” riep ze verbijsterd uit. “Hier zou dat zelfs gevaarlijk zijn. Mensen raken gedehydrateerd als ze niet voldoende drinken.”
Nu zal dehydratatie in Nederland doorgaans niet aan de orde van de dag zijn. Maar hoeveel dronken mensen en dito gedrag zou het schelen wanneer cafés niet lullig doen, en er bij een flinke ronde bier en wijn ook enkele glazen kraanwater besteld zouden mogen worden? En hoeveel aangenamer zou het zijn als de smaakpapillen tussen de gangen van een diner geneutraliseerd zouden kunnen worden met een glaasje gemeentepils?
Het bijzondere is ook dat Nederland – dat zich zo graag profileert als internationaal vooruitlopend als het om waterbouw gaat – een van de zeer weinige landen is die hardleers blijven op kraanwatergebied. Want welk land ik ook bezoek: kraanwater, in onbeperkte mate, is standaard net zo vanzelfsprekend aanwezig als bestek, bord en servet.
Als Nederland echt zo gastvrij en toeristisch aantrekkelijk gevonden wil worden, zou het er goed aan doen bij de basis te beginnen. Oftewel, gasten geen poot uitdraaien om een nagenoeg gratis product.
Welk restaurant meldt zich als eerste? Ik kom eten.
Het is het toppunt van de ongastvrijheid van de Nederlandse horeca: categorisch weigeren om gasten kosteloos van een eerste levensbehoefte als kraanwater te voorzien. Ik begrijp dat gasten in een horecagelegenheid geacht worden om geld te spenderen, en dat het runnen van een restaurant of café geen liefdewerk oud papier is. Maar gasten die een volledig diner inclusief fles wijn nuttigen een glas kraanwater ontzeggen bij hun maaltijd, en er op staan de toch al niet kinderachtige rekening nog verder op te schroeven door te laten betalen voor standaard overpriced spa blauw dan wel rood, getuigt van wel een verbazingwekkende en bovendien onnodige krenterigheid.
Enkele maanden geleden in Australië, tijdens een diner – uiteraard met gratis water, dat reeds bij binnenkomst op tafel wordt gezet – met een goede vriendin, vertelde ik haar over de Hollandse watermentaliteit. “Are you kiddin’ me?” riep ze verbijsterd uit. “Hier zou dat zelfs gevaarlijk zijn. Mensen raken gedehydrateerd als ze niet voldoende drinken.”
Nu zal dehydratatie in Nederland doorgaans niet aan de orde van de dag zijn. Maar hoeveel dronken mensen en dito gedrag zou het schelen wanneer cafés niet lullig doen, en er bij een flinke ronde bier en wijn ook enkele glazen kraanwater besteld zouden mogen worden? En hoeveel aangenamer zou het zijn als de smaakpapillen tussen de gangen van een diner geneutraliseerd zouden kunnen worden met een glaasje gemeentepils?
Het bijzondere is ook dat Nederland – dat zich zo graag profileert als internationaal vooruitlopend als het om waterbouw gaat – een van de zeer weinige landen is die hardleers blijven op kraanwatergebied. Want welk land ik ook bezoek: kraanwater, in onbeperkte mate, is standaard net zo vanzelfsprekend aanwezig als bestek, bord en servet.
Als Nederland echt zo gastvrij en toeristisch aantrekkelijk gevonden wil worden, zou het er goed aan doen bij de basis te beginnen. Oftewel, gasten geen poot uitdraaien om een nagenoeg gratis product.
Welk restaurant meldt zich als eerste? Ik kom eten.
dinsdag 26 juli 2011
Ja hoor, ik ga er wel mee aan de slag
“Wil jij een artikel schrijven voor een special”, vroeg mijn leidinggevende. “Het moet ongeveer hier en hier over gaan. Ik regel wel mensen die je kunt bellen.” Twee weken later ging hij op vakantie en had ik nog geen heldere insteek, laat staan interviewkandidaten. Weer een paar dagen later had ik een lijstje namen; of ik die even wilde bellen. En het onderwerp van het artikel? Ja, ongeveer hier en hier over, kun je daar wat mee?
Natuurlijk. Al mijn mindere kwaliteiten ten spijt, heb ik het woord ‘flexibel’ zo ongeveer op mijn voorhoofd getatoeëerd. Iemand wil afspreken op een dag dat ik eigenlijk niet kan? Ik regel wel wat, zodat we tóch kunnen afspreken. Een halfbakken freelance opdracht, nota bene tegen te weinig geld? Ik ga er mee aan de slag. Mijn moeder belt op een moment dat een gesprek met haar het allerlaatste is op de hele wereld waar ik zin in heb? Braaf neem ik op, hoezeer ik mezelf ook verfoei op dergelijke momenten om mijn gebrek aan grensbewaking. Want die zo veelgeprezen flexibiliteit gaat maar al te vaak naadloos over in de gevarenzone waarin ik genadeloos over me heen laat lopen. Van andermans probleem mijn probleem maak. En me moreel verplicht voel dit nog op te lossen ook.
Nu zit ik in mijn maag met geïnterviewden die niet bereikbaar zijn, een verhaal waarvan ik nog steeds niet zeker weet waarover het moet gaan, en een telefoongesprek met mijn baas waarin ik niets anders kon dan morren over het verhaal, vragen of we het niet konden stoppen, zijn verwijten aangaande mijn negatieve houding en mijn schoorvoetende toezegging dat ik er wel weer mee verder ging. Het na dit gesprek uit pure frustratie aan stukken scheuren van het dichtstbijzijnde tijdschrift dat ik kon vinden, maakte nauwelijks dat ik me beter voelde. Zoals een collega zeer terecht tegen me zei: de sleutel van dit probleem ligt bij mij. Als ik voet bij stuk had gehouden en had gezegd dat ik tijd noch zin heb om stad en land af te bellen om interviewkandidaten te vinden, dat het artikel zijn verantwoordelijkheid is en ik slechts uitvoerder ben, had ik het probleem vakkundig bij hem kunnen terugleggen. Nu heb ik een toezegging gedaan, en kan ik wederom niet anders dan maar weer de telefoon pakken.
Maar hoe doe je dat, die grens herkennen, laat staan bewaken? Wanneer ben ik onaardig of inflexibel als ik een verzoek weiger, en wanneer verstandig en doortastend? Wanneer moet ik water bij de wijn doen, en wanneer mag ik zeggen: tot hier en niet verder? Als ik ergens jaloers op ben, is het wel op mensen die dit kunstje feilloos in de vingers hebben.
Mijn baas, bijvoorbeeld.
Natuurlijk. Al mijn mindere kwaliteiten ten spijt, heb ik het woord ‘flexibel’ zo ongeveer op mijn voorhoofd getatoeëerd. Iemand wil afspreken op een dag dat ik eigenlijk niet kan? Ik regel wel wat, zodat we tóch kunnen afspreken. Een halfbakken freelance opdracht, nota bene tegen te weinig geld? Ik ga er mee aan de slag. Mijn moeder belt op een moment dat een gesprek met haar het allerlaatste is op de hele wereld waar ik zin in heb? Braaf neem ik op, hoezeer ik mezelf ook verfoei op dergelijke momenten om mijn gebrek aan grensbewaking. Want die zo veelgeprezen flexibiliteit gaat maar al te vaak naadloos over in de gevarenzone waarin ik genadeloos over me heen laat lopen. Van andermans probleem mijn probleem maak. En me moreel verplicht voel dit nog op te lossen ook.
Nu zit ik in mijn maag met geïnterviewden die niet bereikbaar zijn, een verhaal waarvan ik nog steeds niet zeker weet waarover het moet gaan, en een telefoongesprek met mijn baas waarin ik niets anders kon dan morren over het verhaal, vragen of we het niet konden stoppen, zijn verwijten aangaande mijn negatieve houding en mijn schoorvoetende toezegging dat ik er wel weer mee verder ging. Het na dit gesprek uit pure frustratie aan stukken scheuren van het dichtstbijzijnde tijdschrift dat ik kon vinden, maakte nauwelijks dat ik me beter voelde. Zoals een collega zeer terecht tegen me zei: de sleutel van dit probleem ligt bij mij. Als ik voet bij stuk had gehouden en had gezegd dat ik tijd noch zin heb om stad en land af te bellen om interviewkandidaten te vinden, dat het artikel zijn verantwoordelijkheid is en ik slechts uitvoerder ben, had ik het probleem vakkundig bij hem kunnen terugleggen. Nu heb ik een toezegging gedaan, en kan ik wederom niet anders dan maar weer de telefoon pakken.
Maar hoe doe je dat, die grens herkennen, laat staan bewaken? Wanneer ben ik onaardig of inflexibel als ik een verzoek weiger, en wanneer verstandig en doortastend? Wanneer moet ik water bij de wijn doen, en wanneer mag ik zeggen: tot hier en niet verder? Als ik ergens jaloers op ben, is het wel op mensen die dit kunstje feilloos in de vingers hebben.
Mijn baas, bijvoorbeeld.
dinsdag 14 juni 2011
Hbo-docent houdt niet van zelfkritiek
Door Suzanne van den Eynden, gepubliceerd op in NRC Next op woensdag 15 juni 2011
Studenten van tegenwoordig hebben het zwaar. Ze moeten sneller afstuderen, rondkomen van een schijntje per maand, met de boete voor langstudeerders als zwaard van Damocles boven hun hoofd. Velen moeten bovendien hun tenen lopen om de propedeuse-eis van 45 van de 60 studiepunten te halen. Geen wonder dat zij hun docenten steeds vaker –succesvol – manipuleren met huilbuien en meelijwekkende verhalen, en op eigen of papa’s kosten tekstbureaus inschakelen om op hun scriptie te (her)schrijven, vindt hogeschooldocent Yolan Witterholt (Opinie, 10 juni). Hoog tijd dan ook dat de enige schuldige in dit verhaal, de politiek, de druk van de studentenketel haalt, zo betoogt de auteur.
Met haar betoog presenteert Witterholt een gedachtengang die een HBO-docent onwaardig is. Want wat de politiek ook allemaal te verwijten mag zijn: de schuld van frauduleuze praktijken neerleggen bij de overheid getuigt van wel heel merkwaardig en kinderachtig afschuifgedrag.
Om te beginnen zou enige zelfkritiek HBO-docenten niet misstaan. Want hoe kan een student die niet in staat is een om een taalkundig en inhoudelijk voldoende scriptie te produceren, in het vierde jaar van het hoger onderwijs terecht komen? Niemand anders dan die ‘aardige en betrokken’ docenten zelf die de voorafgaande jaren studenten hebben ‘gematst’ door werk goed te keuren dat onder de maat was, of wellicht ook door derden bijgeschaafd, zijn hier mijns inziens verantwoordelijk voor.
Maar uiteindelijk is het natuurlijk alleen de student zelf die besluit om een tekstbureau in te schakelen in een poging de boel te redden. Studenten die tot dit middel overgaan, begrijpen blijkbaar niet (of hebben dit van hun docenten niet geleerd) dat een scriptie een proeve van bekwaamheid is, en de laatste hindernis is op weg naar een – als het goed is –waardevol diploma met dito carrière. Aan de eigen verantwoordelijkheid van de student voor diens morele beslissingen in deze fase, gaat Witterholt volledig voorbij. Stel je voor dat we haar redenering zouden doortrekken tot buiten de hogeschoolmuren. ‘U hebt fraude gepleegd? Tja, het leven is ook niet gemakkelijk, dat begrijp ik wel. Weet u wat? We verlagen de belastingen.’
Overigens zal het met de geldzorgen van de vermeende ‘onder druk gezette’ studenten best wel meevallen: voor iemand die een duur tekstbureau wil inschakelen voor zijn scriptie, of ouders heeft die daar bereid zijn voor te betalen, lijkt me een extra jaar collegegeld toch ook geen onoverkomelijk probleem.
Studenten die zich door de propedeuse-eis heen ‘mazzelen’ omdat de studie eigenlijk te zwaar voor hen is, en van wie de schulden oplopen door studievertraging, zijn geen slachtoffer van een politiek die hen uitknijpt, maar van het feit dat hun studierichting of –niveau blijkbaar niet zo goed bij hen past. Die propedeuse-eis – die overigens inhoudt dat ze nog altijd 15 studiepunten mogen laten liggen – zou Witterholt ook kunnen zien in het belang van de studenten zelf: namelijk om te voorkomen dat zij eindeloos doorworstelen in een studie die hen allesbehalve gelukkig maakt. Docenten die écht aardig en betrokken zijn, vallen dan ook niet voor tranen van worstelende studenten, en wijzen niet naar de politiek als oorzaak van de run op tekstbureaus in scriptietijd, maar zeggen tegen die studenten eerlijk waar het op staat - en helpen hen de weg te vinden naar een studie die beter bij hen past. Daar is geen politiek voor nodig; wel kundige docenten, met moreel besef.
Studenten van tegenwoordig hebben het zwaar. Ze moeten sneller afstuderen, rondkomen van een schijntje per maand, met de boete voor langstudeerders als zwaard van Damocles boven hun hoofd. Velen moeten bovendien hun tenen lopen om de propedeuse-eis van 45 van de 60 studiepunten te halen. Geen wonder dat zij hun docenten steeds vaker –succesvol – manipuleren met huilbuien en meelijwekkende verhalen, en op eigen of papa’s kosten tekstbureaus inschakelen om op hun scriptie te (her)schrijven, vindt hogeschooldocent Yolan Witterholt (Opinie, 10 juni). Hoog tijd dan ook dat de enige schuldige in dit verhaal, de politiek, de druk van de studentenketel haalt, zo betoogt de auteur.
Met haar betoog presenteert Witterholt een gedachtengang die een HBO-docent onwaardig is. Want wat de politiek ook allemaal te verwijten mag zijn: de schuld van frauduleuze praktijken neerleggen bij de overheid getuigt van wel heel merkwaardig en kinderachtig afschuifgedrag.
Om te beginnen zou enige zelfkritiek HBO-docenten niet misstaan. Want hoe kan een student die niet in staat is een om een taalkundig en inhoudelijk voldoende scriptie te produceren, in het vierde jaar van het hoger onderwijs terecht komen? Niemand anders dan die ‘aardige en betrokken’ docenten zelf die de voorafgaande jaren studenten hebben ‘gematst’ door werk goed te keuren dat onder de maat was, of wellicht ook door derden bijgeschaafd, zijn hier mijns inziens verantwoordelijk voor.
Maar uiteindelijk is het natuurlijk alleen de student zelf die besluit om een tekstbureau in te schakelen in een poging de boel te redden. Studenten die tot dit middel overgaan, begrijpen blijkbaar niet (of hebben dit van hun docenten niet geleerd) dat een scriptie een proeve van bekwaamheid is, en de laatste hindernis is op weg naar een – als het goed is –waardevol diploma met dito carrière. Aan de eigen verantwoordelijkheid van de student voor diens morele beslissingen in deze fase, gaat Witterholt volledig voorbij. Stel je voor dat we haar redenering zouden doortrekken tot buiten de hogeschoolmuren. ‘U hebt fraude gepleegd? Tja, het leven is ook niet gemakkelijk, dat begrijp ik wel. Weet u wat? We verlagen de belastingen.’
Overigens zal het met de geldzorgen van de vermeende ‘onder druk gezette’ studenten best wel meevallen: voor iemand die een duur tekstbureau wil inschakelen voor zijn scriptie, of ouders heeft die daar bereid zijn voor te betalen, lijkt me een extra jaar collegegeld toch ook geen onoverkomelijk probleem.
Studenten die zich door de propedeuse-eis heen ‘mazzelen’ omdat de studie eigenlijk te zwaar voor hen is, en van wie de schulden oplopen door studievertraging, zijn geen slachtoffer van een politiek die hen uitknijpt, maar van het feit dat hun studierichting of –niveau blijkbaar niet zo goed bij hen past. Die propedeuse-eis – die overigens inhoudt dat ze nog altijd 15 studiepunten mogen laten liggen – zou Witterholt ook kunnen zien in het belang van de studenten zelf: namelijk om te voorkomen dat zij eindeloos doorworstelen in een studie die hen allesbehalve gelukkig maakt. Docenten die écht aardig en betrokken zijn, vallen dan ook niet voor tranen van worstelende studenten, en wijzen niet naar de politiek als oorzaak van de run op tekstbureaus in scriptietijd, maar zeggen tegen die studenten eerlijk waar het op staat - en helpen hen de weg te vinden naar een studie die beter bij hen past. Daar is geen politiek voor nodig; wel kundige docenten, met moreel besef.
dinsdag 31 mei 2011
Waarom we niet zonder de hufter kunnen
‘Hufter!’ is het enige dat ik kan uitbrengen, terwijl ik vol in de remmen van mijn fiets knijp om de automobilist te ontwijken die plotseling de bocht om komt scheuren en mij de weg scherp afsnijdt. Op hetzelfde moment klinken achter mij eveneens piepende remmen en vergelijkbaar gevloek. Ik draai me om en kijk in het geschrokken gezicht van een mede-fietser, die door de actie van de betreffende automobilist bijna bovenop mij lag. Wat een eikel, zijn we het roerend met elkaar eens. Automobilisten die geen oog hebben voor kwetsbare fietsers, behoren toch wel tot de laagste soort, vinden we eensgezind. Samen vervolgen we onze weg, en al snel gaat het gesprek over op waar we wonen en wat voor werk we doen. Op de kruising waar onze wegen ons scheiden, nemen we afscheid. Met een blij gevoel over deze onverwachte ontmoeting vervolg ik mijn weg huiswaarts. De vriendelijkheid van de onbekende heeft de woede jegens de autorijdende hufter al ruimschoots overwonnen.
Opiniepeilers en tv-makers
De hufter (m/v) heeft zich inmiddels een comfortabele en alom erkende positie in ons leven verworven. Hij is prominent aanwezig in de verkiezingsprogramma’s van vrijwel alle politieke partijen, een geliefd thema voor opiniepeilers en tv-makers, een dankbaar subject voor onderzoekers en schrijvers. Socioloog en filosoof Bas van Stokkum wijdde vorig jaar een heel boekwerk aan dit maatschappelijk fenomeen, onder de titel ‘Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing’. Het is de toegenomen agressie en de afnemende tolerantie voor corrigerend optreden die volgens Van Stokkum vooral in de grote steden tot een moreel vacuüm hebben geleid, met als gevolg ruim baan voor de hufter.
De hufter: we kunnen haast niet om hem heen, en wat valt het ons vaak moeilijk om met hem te leven.
Sociaal vacuum
En toch kunnen we ook niet zonder hem. Want hoezeer we de hufter ook verfoeien wanneer hij ons van de sokken rijdt, luide telefoongesprekken voert in de stiltecoupé van de trein, overlast bezorgt in onze woonwijk of agressief reageert op vriendelijke terechtwijzingen, en hoe hartgrondig we er ook schande van spreken wanneer hij ambulancepersoneel lastig valt of de voltallige ME laat opdraaien bij huldigingen van voetbalelftals: aan die alomtegenwoordige positie van de hufter in onze samenleving kleven ook positieve kanten.
Zonder agressief en hinderlijk gedrag zou het morele vacuüm in onze maatschappij namelijk al snel plaats maken voor een vacuüm in het sociale leven. Als er immers één type situatie is waarin in het dagelijks leven gesprekken ontstaan tussen wildvreemden, is het wel dat moment vlak na een confrontatie met hufterig gedrag. De ‘slachtoffers’ van de hufter vinden elkaar in hun verontwaardiging, en hun bezorgdheid over het welzijn van degene die het meest onder hem te lijden heeft gehad . Om vervolgens, in hun gedeelde smart, dat tussen onbekenden zo zeldzame gevoel van saamhorigheid te ervaren. Elkaar normaal gesproken negerende treinreizigers raken dankzij de hufter met elkaar in gesprek, onopvallende voorbijgangers krijgen ineens een gezicht.
Middelvinger
En waar zouden we het op verjaardagen nog over moeten hebben – nu de dure euro toch echt uit de mode is als favoriet onderwerp – als we geen ervaringen met lawaaierige buren, voordringers en straatvervuilers meer hadden om uitvoerig met elkaar te delen? Menig kringgesprek zou angstvallig stilvallen.
Tot slot is er nog dat prettige gevoel van morele superioriteit dat die nare, asociale hufter tegen wil en dank als één van de weinigen bij ons teweeg kan brengen. Het gevoel dat ons doet realiseren: ik gedraag me dan wel niet altijd zoals het hoort, maar zo erg als met die niet-handsfree bellende automobilist die geen voorrang verleende en ook nog een middelvinger opstak, is het met mij – godzijdank - niet gesteld.
Opiniepeilers en tv-makers
De hufter (m/v) heeft zich inmiddels een comfortabele en alom erkende positie in ons leven verworven. Hij is prominent aanwezig in de verkiezingsprogramma’s van vrijwel alle politieke partijen, een geliefd thema voor opiniepeilers en tv-makers, een dankbaar subject voor onderzoekers en schrijvers. Socioloog en filosoof Bas van Stokkum wijdde vorig jaar een heel boekwerk aan dit maatschappelijk fenomeen, onder de titel ‘Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing’. Het is de toegenomen agressie en de afnemende tolerantie voor corrigerend optreden die volgens Van Stokkum vooral in de grote steden tot een moreel vacuüm hebben geleid, met als gevolg ruim baan voor de hufter.
De hufter: we kunnen haast niet om hem heen, en wat valt het ons vaak moeilijk om met hem te leven.
Sociaal vacuum
En toch kunnen we ook niet zonder hem. Want hoezeer we de hufter ook verfoeien wanneer hij ons van de sokken rijdt, luide telefoongesprekken voert in de stiltecoupé van de trein, overlast bezorgt in onze woonwijk of agressief reageert op vriendelijke terechtwijzingen, en hoe hartgrondig we er ook schande van spreken wanneer hij ambulancepersoneel lastig valt of de voltallige ME laat opdraaien bij huldigingen van voetbalelftals: aan die alomtegenwoordige positie van de hufter in onze samenleving kleven ook positieve kanten.
Zonder agressief en hinderlijk gedrag zou het morele vacuüm in onze maatschappij namelijk al snel plaats maken voor een vacuüm in het sociale leven. Als er immers één type situatie is waarin in het dagelijks leven gesprekken ontstaan tussen wildvreemden, is het wel dat moment vlak na een confrontatie met hufterig gedrag. De ‘slachtoffers’ van de hufter vinden elkaar in hun verontwaardiging, en hun bezorgdheid over het welzijn van degene die het meest onder hem te lijden heeft gehad . Om vervolgens, in hun gedeelde smart, dat tussen onbekenden zo zeldzame gevoel van saamhorigheid te ervaren. Elkaar normaal gesproken negerende treinreizigers raken dankzij de hufter met elkaar in gesprek, onopvallende voorbijgangers krijgen ineens een gezicht.
Middelvinger
En waar zouden we het op verjaardagen nog over moeten hebben – nu de dure euro toch echt uit de mode is als favoriet onderwerp – als we geen ervaringen met lawaaierige buren, voordringers en straatvervuilers meer hadden om uitvoerig met elkaar te delen? Menig kringgesprek zou angstvallig stilvallen.
Tot slot is er nog dat prettige gevoel van morele superioriteit dat die nare, asociale hufter tegen wil en dank als één van de weinigen bij ons teweeg kan brengen. Het gevoel dat ons doet realiseren: ik gedraag me dan wel niet altijd zoals het hoort, maar zo erg als met die niet-handsfree bellende automobilist die geen voorrang verleende en ook nog een middelvinger opstak, is het met mij – godzijdank - niet gesteld.
Abonneren op:
Posts (Atom)