Minister Asscher gaat de strijd aan met werkstress, schrijft de Volkskrant op maandag 23 december. Werkstress was in 2013 verantwoordelijk is voor de helft van het ziekteverzuim. Daarmee krijgt werkstress de illustere eer beroepsziekte nummer één te zijn. Dat kan zo niet langer, vindt Asscher, en vanaf april 2014 gaat de minister dan ook actief de strijd aan met werkgerelateerde psychische klachten. Te beginnen met het tegengaan van werkdruk, agressie, geweld en intimidatie, gevolgd door het bestrijden van discriminatie en pesten. Flexwerkers en mantelzorgers, de grootste risicogroep, krijgen de meeste aandacht.
Dezelfde krant, dezelfde dag. In een aantal gemeentes is de bezigheidstherapie weer nieuw leven ingeblazen: in plaats van een pilletje schrijft de huisarts vaker ‘activiteiten’ voor. Helpen in een buurthuis, taalles aan allochtonen of anderszins actief bezig zijn; klachten zoals buik- of hoofdpijn verdwijnen als sneeuw voor de zon bij mensen die eenzaam zijn, al dan niet door werkloosheid of pensioen.
Het is de paradox van het werkende leven: te hard werken maakt ziek, maar te wéinig om handen hebben is evenmin bevorderlijk voor de gezondheid. Daarvoor hoef je niet eens werkloos te zijn; ook werk met onvoldoende uitdaging kan voor psychosociale klachten zorgen, als gevolg van de zogeheten bore-out. Niet (of te weinig interessant) werken maakt dat we ons nutteloos voelen, een buitenstaander te midden van alle drukdrukdrukke mensen om ons heen, we onze intellectuele of fysieke capaciteit onvoldoende ontmoeten en – in geval van werkloosheid - de dagen doorbrengen zonder de structuur die we vaak zo verfoeiden toen nog dagelijks om half zeven de wekker ging.
Maar zoals met veel andere zaken is het bij werk blijkbaar de kunst om maat te houden, een kunst waarin we net als op het gebied van alcohol, vet eten en roken niet uitblinken. Als we werken, dan doen we het goed. We voelen ons – zeker hoogopgeleiden – immers bijzonder verantwoordelijk en het liefst onmisbaar. Dus lopen we drie stappen harder, niet omdat de baas ons met een zweep achter de vodden zit, maar omdat onze innerlijke zweep dat van ons eist. Buiten ons in het contract omschreven takenpakket is er namelijk nog zoveel meer waarover we willen en mogen meedenken, interessante projecten die roepen om een leider zoals wij, en wat we doen, doen we niet goed maar beter. Liever best. Wij zíjn ons werk, en dat laten we zien ook. Een negen-tot-vijf mentaliteit? Nog nooit van gehoord. In plaats van met afgunst, kijken we wat meewarig naar de collega die wél iedere dag op tijd naar de aardappels vertrekt: tja, hij/zij heeft daar natuurlijk het volste recht toe, maar zo zitten wij nu eenmaal niet in elkaar. Deadlines verschuiven? We halen onze neus er voor op, niet drie maar vier stappen harder lopen we om ze alsnog te halen. Problemen, strubbelingen? We laten ze niet daar waar ze horen, namelijk in het kantoorgebouw, maar nemen ze als waren het favoriete knuffeldieren mee naar huis, mee naar bed zelfs. Met alle gevolgen van dien. Maar ja, we houden zoveel van ons werk en onze prestatiedrang is zo groot dat loslaten geen optie is. Het idee alleen al. Doodeng.
Soms volgt er een wake-up call in de vorm van een overduidelijke, diagnosticeerbare burn-out en komt de overijverige werknemer voor een aantal maanden thuis te zitten. Meestal komt het – gelukkig – niet zo ver, en redden we het net tot het volgende weekje vrij. Die hartkloppingen, buik- of hoofdpijn of pijnlijke spieren de eerste dagen signaleren we wel, en soms nemen we ons zelfs voor om het écht wat rustiger aan te doen. Maar meestal zijn die signalen na dat weekje vrij weer vergeten en gaan we met frisse moed en nieuwe plannen weer aan de slag – op dezelfde voet.
Het houden van het midden, volgens Aristoteles de enige weg naar voortreffelijkheid, blijft een van de grootste uitdagingen in het werkende leven. Waar ligt dat acceptabele midden dan? Wanneer gaat ‘je grenzen bewaken’ over in ‘de kantjes eraf lopen’? Hoe vinden we die enge grens, zonder onze ambities en werklust tekort te doen – en zonder onze gezondheid (weer) op het spel te zetten?
Werk: de mens kan er niet zonder, maar het gevaar van een overschot ligt voor iedere gemotiveerde werknemer op de loer, als hart- en vaatziekten voor de hamburgerverslaafde en leveraandoeningen voor de fanatieke drinker. Maar in tegenstelling tot hamburgers en alcohol is bij werk het gebrek eraan even schadelijk als een overschot. Dat maakt onze relatie tot werk, dat gekoesterde grote goed in ons leven, zo complex.
Zal Asscher slagen in zijn opzet? Hoe nobel zijn aanpak klinkt, de vele factoren die bijdragen aan het teveel aan inzet laten zich niet zo gemakkelijk temmen. En zo lang het niet echt mis gaat, koesteren we dat overschot aan werk ook wel. Het maakt dat we ons belangrijk, nuttig en gewaardeerd voelen. Dat het gevoel ons werk te zíjn, wordt bevestigd. Bovendien: alles liever dan géén werk. Aangezien die dreiging vandaag de dag een prominente nieuwe bron van werkstress is, zou het helpen creëren van méér werk een grotere prioriteit voor de minister van werkgelegenheid moeten zijn.
En die overijverige werkenden dan, die er voortgedreven door ambitie maar niet in slagen die Aristotelische middenmaat te houden? Wat wordt hun redding, als Asscher er niet in slaagt of prioriteiten verschuift?
Als ik het antwoord wist, was deze blogpost nooit geschreven.
zaterdag 28 december 2013
woensdag 11 december 2013
Lief Den Haag
Lief Den Haag, je bladeren vallen,
Je kleuren zijn helder, je licht is vaag
Je lucht voelt fris, en heerlijk, als altijd,
Nooit hield ik meer van je dan vandaag.
Je kleuren zijn helder, je licht is vaag
Je lucht voelt fris, en heerlijk, als altijd,
Nooit hield ik meer van je dan vandaag.
Het lijkt gisteren dat ik me bij je voegde
Als student, 19 jaar, naïef
In een kamer in Laak vond ik een plekje
Vanaf dag één had ik je lief
Ook toen was het herfst, maar het voelde als lente
De wereld lag open; die begon bij jou
Ontdekken, leren, verkennen, vergapen
Fietsen en lopen, regen en kou.
Ontmoeten, feesten, sporten, studeren
Je nam me mee en leidde me rond
Naar dat hotel in de passage,
Waar ik mijn studiebijbaan vond.
Naar Havana, de Bierkelder, inmiddels wijlen
Maar destijds wekelijks bezocht
Naar volleybaltraining, café Sparetime
Waar van alles begon wat eigenlijk niet mocht.
Naar strand en duinen, soms op bizarre tijden
Vijf uur ’s ochtends, ik weet het nog goed
Het feest was voorbij, maar van slapen geen sprake
Dan maar zeewaarts, als je dan toch iets moet.
Je was het baken als ik huiswaarts keerde,
na verblijven in Frankrijk en overzee
Mijn troost toen ik Sydney moest leren vergeten
Mijn vreugde en verdriet beleefde je mee.
Mijn eerste stappen in het werkende leven
Vers afgestudeerd, bij het Rode Kruis
Daarna de Posthoorn, een nieuw avontuur
En een ware ontdekkingstocht in mijn stad, mijn thuis.
Je leerde me liefde, toppen en bergen
Maar ook het diepste verdriet beleefde ik bij jou
Ziekte, angst, pijn en wanhoop
Maar wat er gebeurde: wij bleven elkaar trouw.
Van Laak naar de Laan, naar Copernicus, naar Mozart,
en uiteindelijk met mijn grote liefde naar Sport
Het begin van het einde voor ons, lief Den Haag,
Want op deze plek bleven wij maar kort.
Je bracht ons de mooiste dag van ons leven
Met vrienden, vreugde, feest en natuurlijk het strand
Goedkeurend zag ik je dit alles aanschouwen
En weer voelde ik jouw vertrouwde hand.
Wat ben je mooi, je groengele lanen,
de roodbruine duinen, wat zijn ze me lief
Ik geniet van je koffie, je vijver, je straten
Waar ik zo vaak mijn stem verhief.
Lachend of huilend, dronken van geluk
Ecstatisch, verbijsterd, boos op mezelf en op iedereen
Voorbijgaand aan alles wat jij had te bieden
Terwijl, zoals jij, zo is er geen een.
En dan waren er de nachten, mild en verkwikkend
Buiten nooit eenzaam, nooit volledig alleen.
Soms die lamp, ergens, nog brandend,
Peinzend ‘waarom’ snelde ik langsheen.
Thuiskomen als de zon weer ging schijnen
Fietsend vol vreugde, het licht tegemoet
Nog even de zeelucht diep in de longen
Even die stilte, de nacht, wat voel je goed.
Wat gisteren begon als een weg van jaren
Krijgt morgen zomaar ineens een besluit.
Verward, verdrietig, maar toch ook hoopvol
Ga ik mijn geliefde Den Haag nu echt uit.
Nog één keer morgenochtend de zon op je zien schijnen
Of valt de regen, en ben je asgrauw
Nog één keer de vogels op de Vijverberg horen fluiten
Hard, overtuigend, trots als een pauw.
Nog één keer je bakker, je koffie, je station, je straten
Op de fiets, als mijn thuis, als de plek waar ik hoor
Morgen niet meer, dan ben ik een vreemde
Geen Hagenaar, wat komt mij dit akelig voor.
Lief Den Haag, je bent me zo dierbaar
Je gaf me zoveel, en leerde nog meer
Pas als het er niet is, weet een mens wat hij had
Dat is een feit, en wat doet me dat zeer.
Lief Den Haag, zul je van me blijven houden,
Een klein beetje maar, niet zoveel als ik van jou.
En als ik je te erg mis, mag ik dan komen schuilen?
Ik dank je, ik groet je,
en alsjeblieft – tot gauw.
zondag 8 december 2013
Afscheid
Het meest hartverscheurende en afschuwelijke afscheid dat ik ooit zag,
speelde zich af in de film Sophie Scholl,
die Letzten Tagen over – inderdaad – de laatste dagen van deze Duitse verzetsheldin.
Tijdens haar strijd tegen het nationaal-socialisme werden zij en haar broer
gearresteerd en na urenlange ondervragingen en een proces dat niet eens de
schijn van eerlijkheid met zich meedroeg, ter dood veroordeeld. Vlak voor haar
executie werd haar een kort moment met haar ouders toegestaan. Zij waren
gekomen om voorgoed afscheid te nemen van hun prachtige, sterke, dappere,
levenslustige jonge dochter. Terwijl de tranen over haar wangen stroomden,
sprak haar moeder: “Nooit zal ik je meer door onze deur zien komen, mijn lieve
kind.” Vechtend tegen haar eigen tranen antwoordde Sophie: “Nee moeder. Maar we
zullen elkaar weerzien in de eeuwigheid.” In de gang op weg naar haar cel kwam
ze haar ondervrager tegen. “Neemt u mij niet kwalijk dat ik huil”, sprak ze
beverig. “Ik heb net afscheid van mijn ouders genomen.” Een paar uur later werd
ze uit haar cel gehaald, rookten zij, haar broer en hun eveneens ter dood
veroordeelde vriend een laatste sigaret, lachte ze naar de zon en werd ze door
bewakers op de guillotine vastgebonden, waar met één slag haar leven tot een
einde kwam.
Het meest indrukwekkende afscheid dat ik zelf ooit beleefde,
speelde zich af in Sydney. Na een fantastische stage van zes maanden, geïntensiveerd door een romance op de werkvloer, kwam onvermijdelijk mijn
laatste werkdag, snel gevolgd door mijn terugkeer naar Nederland. In een Thais
restaurant en tig kroegen aten en vooral dronken mijn collega’s en ik op het
leven, de liefde, vriendschap en een onvergetelijke tijd. Naar goed Australisch
gebruik werd ik zo dronken dat ik me de tranen met tuiten die ik bij het
afscheid vergoot, nog slechts vagelijk kan herinneren. Helemaal blanco in mijn
geheugen zijn de gezichten van de twee mannen die mij en mijn lover, tijdens
onze zwalktocht naar zijn huis, onder bedreiging van een groot keukenmes (dat
me dan wel weer scherp voor de geest staat) van onze portemonnees met inhoud en
pincodes beroofden. De dronkenschap bleek mijn financiële redding: met geen
mogelijkheid schoot mij de viercijferige code te binnen. Ik stamelde iets dat
erop leek, met hart en ziel biddend dat de overvallers hun bedreiging ‘I’m
gonna kill you’ niet tot werkelijkheid zouden maken.
Het afscheid dat de meeste opluchting gaf, was van de baan
die zo geweldig leek maar door de komst van een nieuwe leidinggevende tot een
dagelijkse kwelling werd. Ik zal hier verder niet teveel wooden aan vuil maken,
maar o – dat moment waarop ik een contract tekende bij mijn nieuwe werkgever en
de akelige bijna-ex-leidinggevende kon vertellen dat ik opstapte, en die uiteindelijke laatste
dag dat ik met opgeheven hoofd dat gehate pand uit kon lopen, om nooit meer
terug te keren…
Nu sta ik wederom aan de vooravond van een afscheid,
afscheid van een stad. De stad waar ik 16 jaar woonde, waar ik studeerde, mijn
eerste baan vond, liefhad, feestte, grote pieken en diepe
dalen beleefde, waarvan ik de schoonheid bewonderde en de donkere kantjes
leerde waarderen, waar het altijd frisser rook dan elders (en altijd net iets
harder waaide), waar ik altijd weer thuiskwam na weer een halfjaar of langer in
den vreemde, waar ik vrienden maakte voor het leven en trouwde met de man van
mijn dromen. De stad die ik uit vrije wil verlaat, om ergens een nieuw leven te
beginnen, samen met diezelfde man en – over een paar maanden – ons kindje. Als
dat nieuwe leven me maar half zoveel brengt als de afgelopen zestien jaar, mag
ik me al gelukkig prijzen.
Dit afscheid is hartverscheurend noch verschrikkelijk. Opluchting voel ik allerminst, en indrukwekkend is ook niet het juiste woord. Het is lichte weemoed met een vleugje nostalgie dat ik voel, in dit laatste weekend als inwoner van mijn stad, gevuld met laatste keren voor al die vertrouwde rituelen: van het zwemmen in mijn zwembad van jaren tot de wekelijkse gang naar die vertrouwede bakker. Het is de weemoed van het verlaten van iets prettigs, gecombineerd met de opwinding van een aanstaand nieuw begin. Het is de realisatie van iets dat ik nog niet helemaal besef, of omgekeerd: dat die stad waar ik zoveel beleefde, straks niet meer de stad is waar mijn huis staat.
Afscheid nemen: het blijft raar, ongrijpbaar, nooit makkelijk, maar vaak nodig - behalve in het geval van Sophie Scholl natuurlijk. Het betekent ook dat iets, iemand of een periode verplaatst van heden naar verleden, van hedendaagse realiteit naar iets dat verdwijnt naar de warme veiligheid van de herinnering - waar het alleen maar mooier kan worden. Het luidt een verandering in; de overgang van potentie naar actualiteit, zoals Aristoteles zei, naar het verworden van iets dat al latent aanwezig was.
Voor nu hou ik me liever aan de uitleg van Parmenides, volgens wie verandering per definitie niet mogelijk was. Zodat ik, ook al ben ik over een paar dagen geen Hagenaar meer, toch stiekem altijd een beetje van Den Haag zal blijven.
Over een paar dagen begint mijn nieuwe avontuur in een nieuwe, onbekende woonplaats, in een prachtig huis waar ik nu al verliefd op ben. Maar totdat de verhuiswagen definitief de grens van de stad heeft verlaten, koester ik nog heel even alles wat ik hier liefheb, wat Den Haag mij heeft gegeven, wat ik meeneem en een plaats geef te midden in het museum van mijn eigen herinneringen.
Om daarna hopelijk uit de grond van mijn hart te kunnen zeggen: het is goed zo.
Dit afscheid is hartverscheurend noch verschrikkelijk. Opluchting voel ik allerminst, en indrukwekkend is ook niet het juiste woord. Het is lichte weemoed met een vleugje nostalgie dat ik voel, in dit laatste weekend als inwoner van mijn stad, gevuld met laatste keren voor al die vertrouwde rituelen: van het zwemmen in mijn zwembad van jaren tot de wekelijkse gang naar die vertrouwede bakker. Het is de weemoed van het verlaten van iets prettigs, gecombineerd met de opwinding van een aanstaand nieuw begin. Het is de realisatie van iets dat ik nog niet helemaal besef, of omgekeerd: dat die stad waar ik zoveel beleefde, straks niet meer de stad is waar mijn huis staat.
Afscheid nemen: het blijft raar, ongrijpbaar, nooit makkelijk, maar vaak nodig - behalve in het geval van Sophie Scholl natuurlijk. Het betekent ook dat iets, iemand of een periode verplaatst van heden naar verleden, van hedendaagse realiteit naar iets dat verdwijnt naar de warme veiligheid van de herinnering - waar het alleen maar mooier kan worden. Het luidt een verandering in; de overgang van potentie naar actualiteit, zoals Aristoteles zei, naar het verworden van iets dat al latent aanwezig was.
Voor nu hou ik me liever aan de uitleg van Parmenides, volgens wie verandering per definitie niet mogelijk was. Zodat ik, ook al ben ik over een paar dagen geen Hagenaar meer, toch stiekem altijd een beetje van Den Haag zal blijven.
Over een paar dagen begint mijn nieuwe avontuur in een nieuwe, onbekende woonplaats, in een prachtig huis waar ik nu al verliefd op ben. Maar totdat de verhuiswagen definitief de grens van de stad heeft verlaten, koester ik nog heel even alles wat ik hier liefheb, wat Den Haag mij heeft gegeven, wat ik meeneem en een plaats geef te midden in het museum van mijn eigen herinneringen.
Om daarna hopelijk uit de grond van mijn hart te kunnen zeggen: het is goed zo.
zondag 1 december 2013
Gesprek in de sauna
"Geen probleem hoor, als ik vanavond thuis moet eten. Ik heb nog een lekkere kippenpoot."
"Oh ja, dat is lekker ja."
"Ja, hij is al gebakken, ik hoef hem alleen nog maar even op te warmen in de magnetron. In zo'n zakje, dan blijft hij warm. Heel handig. En ik heb nog sla en boontjes, en nog van alles in de vriezer. Lasagne, groentetaart, allemaal dingen die al klaargemaakt zijn."
"Ja, dat is handig inderdaad."
"Ik vind het altijd zo leuk om nieuwe dingen te proberen. Maar het pakt niet altijd goed uit. Laatst had ik Rendang gemaakt."
"Watte?"
"Rendang."
"Maar natuurlijk."
"Ja, dat is Indonesisch, met gemarineerd vlees. Nou, het was niet te vreten. Ik heb het meteen door de plee gespoeld."
"Oh wat irritant."
"Ja, weet je, ik had het ook niet goed klaargemaakt. Ik had riblappen gebruikt."
"Oh ja, getver."
"Nou inderdaad, wat was dat smerig, ongelooflijk. Dat maak ik nooit meer. Ik had het beter aan mijn schoonzoon kunnen geven. Die vreet alles. Ik niet hoor, vlees moet wel goed zijn. Soms als ik echt een lekker stuk vlees wil, haal ik struisvogelbiefstuk."
"Struisvogel? Is dat te eten?"
"Ja joh, heerlijk."
"Maar dat vind ik eigenlijk wel zielig."
"Ja, maar een klein biggetje is ook zielig."
"Of een lammetje."
"Maar dat eet ik niet, dat lust ik niet."
"Ik eet eigenlijk helemaal niet zoveel vlees meer."
"Ik ook niet. Alleen kip en vis. Koolvis bijvoorbeeld."
"En haring, heerlijk."
"Ja, inderdaad. M'n schoonzoon is ook gek op haring maar die eet het op wittebrood. Zo smerig, ik lus helemaal geen wit brood. Maar hij vreet het allemaal. Mosselen, daar ben ik ook gek op. Die maak ik ook vaak klaar."
"Maak je die zelf klaar? Dat lijkt me zo'n gedoe. Hoe weet je dan of er een slechte bij zit?"
"Oh joh meid, dat is zo makkelijk. Ik spoel ze eerst af en dan voel ik ze allemaal. Als er eentje open is, tik ik erop, en als ie dan vanzelf dicht gaat, is ie goed. Anders gooi ik hem weg."
"En hoe kook je ze dan, in bier of witte wijn?"
"Ik doe het altijd in een klein flesje witte wijn. En dan lekker koken en mosselkruiden erbij, gewoon van de Silvo. In een zucht en een scheet is het klaar."
"Doe je er dan ook een sausje bij?"
"Ja, van die...hoe heet dat ook alweer....bernaisesaus of zoiets. Heerlijk."
"Maar ik vind wel: je hebt mosselen en mosselen."
"Ja, dat is nogal logisch. Je hebt ze voor vier nogwat voor een kilo of voor acht nogwat voor een kilo. Dat proef je wel. Mijn schoonzoon is er ook zo gek op maar die maakt ze niet meer klaar. Tja, die moet rondkomen van het..van het...UVW of hoe heet het ook alweer."
"Heeft ie nog steeds geen baan?"
"Nee, hij stuurt vier brieven per maand, dat moet. Maar hij zegt eigenlijk: waarom zou ik gaan werken voor honderd euro extra inkomen? Ja, dan gaat het ook nooit wat worden. Nou ja, ik bemoei me er maar niet mee hoor."
"Ik ken ook iemand die geen werk heeft. Die is begin zestig. Maar die kan het wel vergeten."
"Ja, dat is inderdaad hopeloos."
"Terwijl ze dolgraag wil werken, maar bedrijven kunnen kiezen uit allemaal jonge werklozen. En die willen niet werken."
"Ja, dat is wel krom inderdaad."
"Maar ja, wij krijgen ook wel eens een brief binnen van iemand van 64. Die leggen we meteen opzij. Daar kunnen we niks mee."
"Toch belachelijk dat je op die leeftijd nog moet gaan solliciteren."
"Ik vind het gewoon mishandeling. Dat kun je toch niet maken. Mijn zus ook, toen die werkloos werd was ze halverwege de vijftig. Niet te doen. Hoe oud is jouw schoonzoon?
"42."
"Dat is toch veel te jong om thuis te zitten."
"Hou op schei uit. Die kleine vindt het wel leuk, die heeft nu meer tijd met haar vader in plaats van dat hij alleen maar die man is die op zondag het vlees komt snijden."
"Maar gezond is het niet."
"Dat bedoel ik. Zeg, wat eet jij eigenlijk vanavond?"
"Oh ja, dat is lekker ja."
"Ja, hij is al gebakken, ik hoef hem alleen nog maar even op te warmen in de magnetron. In zo'n zakje, dan blijft hij warm. Heel handig. En ik heb nog sla en boontjes, en nog van alles in de vriezer. Lasagne, groentetaart, allemaal dingen die al klaargemaakt zijn."
"Ja, dat is handig inderdaad."
"Ik vind het altijd zo leuk om nieuwe dingen te proberen. Maar het pakt niet altijd goed uit. Laatst had ik Rendang gemaakt."
"Watte?"
"Rendang."
"Maar natuurlijk."
"Ja, dat is Indonesisch, met gemarineerd vlees. Nou, het was niet te vreten. Ik heb het meteen door de plee gespoeld."
"Oh wat irritant."
"Ja, weet je, ik had het ook niet goed klaargemaakt. Ik had riblappen gebruikt."
"Oh ja, getver."
"Nou inderdaad, wat was dat smerig, ongelooflijk. Dat maak ik nooit meer. Ik had het beter aan mijn schoonzoon kunnen geven. Die vreet alles. Ik niet hoor, vlees moet wel goed zijn. Soms als ik echt een lekker stuk vlees wil, haal ik struisvogelbiefstuk."
"Struisvogel? Is dat te eten?"
"Ja joh, heerlijk."
"Maar dat vind ik eigenlijk wel zielig."
"Ja, maar een klein biggetje is ook zielig."
"Of een lammetje."
"Maar dat eet ik niet, dat lust ik niet."
"Ik eet eigenlijk helemaal niet zoveel vlees meer."
"Ik ook niet. Alleen kip en vis. Koolvis bijvoorbeeld."
"En haring, heerlijk."
"Ja, inderdaad. M'n schoonzoon is ook gek op haring maar die eet het op wittebrood. Zo smerig, ik lus helemaal geen wit brood. Maar hij vreet het allemaal. Mosselen, daar ben ik ook gek op. Die maak ik ook vaak klaar."
"Maak je die zelf klaar? Dat lijkt me zo'n gedoe. Hoe weet je dan of er een slechte bij zit?"
"Oh joh meid, dat is zo makkelijk. Ik spoel ze eerst af en dan voel ik ze allemaal. Als er eentje open is, tik ik erop, en als ie dan vanzelf dicht gaat, is ie goed. Anders gooi ik hem weg."
"En hoe kook je ze dan, in bier of witte wijn?"
"Ik doe het altijd in een klein flesje witte wijn. En dan lekker koken en mosselkruiden erbij, gewoon van de Silvo. In een zucht en een scheet is het klaar."
"Doe je er dan ook een sausje bij?"
"Ja, van die...hoe heet dat ook alweer....bernaisesaus of zoiets. Heerlijk."
"Maar ik vind wel: je hebt mosselen en mosselen."
"Ja, dat is nogal logisch. Je hebt ze voor vier nogwat voor een kilo of voor acht nogwat voor een kilo. Dat proef je wel. Mijn schoonzoon is er ook zo gek op maar die maakt ze niet meer klaar. Tja, die moet rondkomen van het..van het...UVW of hoe heet het ook alweer."
"Heeft ie nog steeds geen baan?"
"Nee, hij stuurt vier brieven per maand, dat moet. Maar hij zegt eigenlijk: waarom zou ik gaan werken voor honderd euro extra inkomen? Ja, dan gaat het ook nooit wat worden. Nou ja, ik bemoei me er maar niet mee hoor."
"Ik ken ook iemand die geen werk heeft. Die is begin zestig. Maar die kan het wel vergeten."
"Ja, dat is inderdaad hopeloos."
"Terwijl ze dolgraag wil werken, maar bedrijven kunnen kiezen uit allemaal jonge werklozen. En die willen niet werken."
"Ja, dat is wel krom inderdaad."
"Maar ja, wij krijgen ook wel eens een brief binnen van iemand van 64. Die leggen we meteen opzij. Daar kunnen we niks mee."
"Toch belachelijk dat je op die leeftijd nog moet gaan solliciteren."
"Ik vind het gewoon mishandeling. Dat kun je toch niet maken. Mijn zus ook, toen die werkloos werd was ze halverwege de vijftig. Niet te doen. Hoe oud is jouw schoonzoon?
"42."
"Dat is toch veel te jong om thuis te zitten."
"Hou op schei uit. Die kleine vindt het wel leuk, die heeft nu meer tijd met haar vader in plaats van dat hij alleen maar die man is die op zondag het vlees komt snijden."
"Maar gezond is het niet."
"Dat bedoel ik. Zeg, wat eet jij eigenlijk vanavond?"
woensdag 27 november 2013
Terwijl haar klomp brak, viel ze van haar stoel
Er was eens een freelance journaliste. Op een dag ontmoette zij een hoofdredacteur die zich lovend toonde over haar werk en toezegde graag eens te kijken of zij een bijdrage kon leveren aan zijn blad. Hij stuurde haar een mail met enkele thema's waar de redactie zich de komende tijd op wilde richten en nodigde haar uit met een voorstel voor een artikel te komen. Enthousiast toog zij met één van de thema’s aan de slag, deed wat onderzoek, werkte een synopsis uit voor een artikel en mailde dit naar de hoofdredacteur. Die vond het een uitstekend idee en liet weten dat hij het op de lijst voor het betreffende themanummer zette met haar naam als auteur erachter. Hij stuurde haar de andere onderwerpen voor het bewuste themanummer en nodigde haar uit om in te tekenen voor méér onderwerpen. Aangezien de journaliste ook nog in loondienst werkte en slechts beperkte tijd had voor haar freelance werk, vroeg ze hem wat de deadline voor de special was, zodat zij kon bepalen hoeveel artikelen voor haar haalbaar waren. Een deadline was er nog niet, want er was één voorbehoud: het verschijnen van het betreffende themanummer was afhankelijk van externe financiers, dus nog geen zekerheid. De journaliste vroeg de hoofdredacteur haar een seintje te geven zodra de financiering rond was; dan kon ze aan de slag. Wel gaf ze alvast aan welke artikelen op de lijst ze graag wilde uitwerken. Ze stelde een vraag over de zakelijke kant van het verhaal aan en de hoofdredacteur antwoordde snel. Was dat ook weer afgekaart.
Toen bleef het stil. Enige tijd later informeerde de
journaliste of er al nieuws was over de financiering van de special en daarmee
over de deadline, maar een antwoord bleef uit. Ze vroeg het nog eens, maar
wederom tevergeefs. De journaliste nam maar aan dat de financiering een lastig
verhaal bleef en wachtte geduldig op een ‘go’ van de hoofdredacteur.
Een aantal maanden later mailde de hoofdredacteur haar om te laten weten dat hij een boek zou publiceren. Ze feliciteerde hem van harte, zei dat ze het boek zeker ging lezen, en informeerde en passant of er al meer bekend was over de special. Zij zou immers over enkele maanden met zwangerschapsverlof gaan, en wilde graag weten of het artikel nog voor die tijd geleverd diende te worden. Enkele dagen later mailde de hoofdredacteur terug dat hij binnenkort op haar vraag zou terugkomen; hij zat nu net voor een deadline. De journaliste schreef terug dat dit uiteraard prima was. Een week later volgde opnieuw een mail: morgen zou hij écht reageren, schreef hij, vergezeld van een smiley. De journaliste was inmiddels reuze nieuwsgierig geworden. De dag erna ging voorbij, en die daarna ook. Twee weken verstreken, en er kwam geen bericht van de hoofdredacteur. De journaliste begon zich af te vragen waarom een antwoord zo lang op zich liet wachten.
Een aantal maanden later mailde de hoofdredacteur haar om te laten weten dat hij een boek zou publiceren. Ze feliciteerde hem van harte, zei dat ze het boek zeker ging lezen, en informeerde en passant of er al meer bekend was over de special. Zij zou immers over enkele maanden met zwangerschapsverlof gaan, en wilde graag weten of het artikel nog voor die tijd geleverd diende te worden. Enkele dagen later mailde de hoofdredacteur terug dat hij binnenkort op haar vraag zou terugkomen; hij zat nu net voor een deadline. De journaliste schreef terug dat dit uiteraard prima was. Een week later volgde opnieuw een mail: morgen zou hij écht reageren, schreef hij, vergezeld van een smiley. De journaliste was inmiddels reuze nieuwsgierig geworden. De dag erna ging voorbij, en die daarna ook. Twee weken verstreken, en er kwam geen bericht van de hoofdredacteur. De journaliste begon zich af te vragen waarom een antwoord zo lang op zich liet wachten.
Totdat zij op een kwade dag de nieuwste editie van het blad van de
betreffende hoofdredacteur onder ogen kreeg. Een themanummer. Om precies te
zijn, het gewraakte themanummer waarvoor zij met meerdere artikelen zou schrijven.
Terwijl haar klomp brak, viel ze van haar stoel. In haar totale
verbijstering twijfelde ze eerst aan zichzelf: zag ze dit nu echt goed, met
eigen ogen? Naarstig spitte ze haar inbox door: had ze een mail over het hoofd
gezien? Een afwijzing? Een terukomen-op-de-eerdere-toezegging? Een gemiste
oproep op haar telefoon? Een smsje dat het feest niet doorging? Een tweet, een
appje, een Linkedin-bericht?
Niets van dat alles.
Ze tikte een vriendelijke doch dringende mail aan de hoofdredacteur met het verzoek om uitleg. Er was vast sprake van een misverstand. Dit kon immers niet. Ze hadden zulke concrete afspraken gemaakt, op die deadline na dan, ze had er nota bene al werk in gestoken. Hun verstandhouding was uitstekend. Er moest een verklaring voor zijn, een hele logische.
Niets van dat alles.
Ze tikte een vriendelijke doch dringende mail aan de hoofdredacteur met het verzoek om uitleg. Er was vast sprake van een misverstand. Dit kon immers niet. Ze hadden zulke concrete afspraken gemaakt, op die deadline na dan, ze had er nota bene al werk in gestoken. Hun verstandhouding was uitstekend. Er moest een verklaring voor zijn, een hele logische.
Hoe het afliep?
Dat is ook voor de journaliste een vraag. Tot op heden hult de hoofdredacteur zich in stilzwijgen en maalt in haar hoofd die ene vraag almaar rond: waar ging het mis? In haar loopbaan als freelance journalist had ze al het nodige meegemaakt; van de toezegging een opiniestuk te publiceren dat vervolgens nooit verscheen, tot chefs van bijlagen die niet meer reageerden na hun eigen uitnodiging aan haar om met een idee voor een artikel te komen. Dat beloftes niet altijd worden nagekomen, was evenmin nieuw voor haar. Maar een hoofdredacteur met wie ze uitstekend contact had, die haar voorstel enthousiast had ontvangen, haar meerdere artikelen had toegezegd, met wie een tarief was afgesproken en die vervolgens op een dergelijk wijze zijn belofte leek te hebben geschonden (ze hield van ongeloof nog steeds de slag om de arm dat ze gaandeweg het proces toch ergens iets verkeerd heeft begrepen)…daar kon ze met haar verstand niet bij.
En ze leefde nog lang in opperste verbazing.
Dat is ook voor de journaliste een vraag. Tot op heden hult de hoofdredacteur zich in stilzwijgen en maalt in haar hoofd die ene vraag almaar rond: waar ging het mis? In haar loopbaan als freelance journalist had ze al het nodige meegemaakt; van de toezegging een opiniestuk te publiceren dat vervolgens nooit verscheen, tot chefs van bijlagen die niet meer reageerden na hun eigen uitnodiging aan haar om met een idee voor een artikel te komen. Dat beloftes niet altijd worden nagekomen, was evenmin nieuw voor haar. Maar een hoofdredacteur met wie ze uitstekend contact had, die haar voorstel enthousiast had ontvangen, haar meerdere artikelen had toegezegd, met wie een tarief was afgesproken en die vervolgens op een dergelijk wijze zijn belofte leek te hebben geschonden (ze hield van ongeloof nog steeds de slag om de arm dat ze gaandeweg het proces toch ergens iets verkeerd heeft begrepen)…daar kon ze met haar verstand niet bij.
En ze leefde nog lang in opperste verbazing.
zondag 24 november 2013
Met zijn tweeën
‘Dit is Suzanne. Zij is nu met zijn tweeën, leuk he?’ Zo
stelde een collega mij aan haar vriend voor. Zijn blik gleed naar mijn buik,
waar op dat moment nog weinig te zien was van ‘die ander’ in mij. Inmiddels is
het trappelende wezentje dat in mij groeit niet alleen voor mij, maar ook voor
de buitenwereld duidelijk waarneembaar. Mijn buik is bol, ik draag
zwangerschapskleding, bezoek kijkt eerst naar mijn buik en dan pas naar mijn
ogen, zelfs de ogen van mensen op straat richten zich enkele etages lager. Ik
ben in verwachting. Ik ben zwanger. Ja, er is iets anders aan mij. Maar in
hoeverre strekt die verandering zich uit naar mijn ‘zijn’, mijn wezen? Ben ik,
behalve zwanger, ook wezenlijk anders? Is “ik” anders, nu ik met zijn tweeën
ben?
Deze vraag laat mij niet los sinds de opmerking van mijn collega. Ik zie mijzelf keuzes maken waarvan ik een paar jaar geleden nog zei: over mijn lijk. Wonen in een kindvriendelijke woonwijk? Dat bén ik niet, riep ik vijf jaar geleden toen mijn man en ik op zoek gingen naar een huisje voor ons samen. Een appartement moest het worden, dicht bij zee, op korte afstand van de stad. Een huis met een tuin? Burgerlijk, vond ik.
Over vijf dagen krijgen we de sleutel van ons twee-onder-een-kap huis met tuin en garage in een kindvriendelijke wijk in een gemeente die een zesde meet van mijn huidige woonplaats Den Haag.
Een verandering die is ingegeven door de feitelijke omstandigheden van het kleine wezentje in mijn buik. Een verandering die zonder die omstandigheid misschien niet had plaatsgevonden. Een verandering die nog steeds voelt alsof hij los van mij staat, net als alles wat ik hoor en lees in voorbereiding op de aanstaande bevalling en het moederschap.
Maar hoewel mijn lijf zwanger, doet mijn hoofd daar nog niet volledig aan mee. Altijd geloofde ik in een onlosmakelijke verbondenheid van lichaam, geest en ziel, maar sinds die zwangerschapstest een positieve uitslag liet zien, ben ik daar niet meer zeker van. Ja, wel in die zin dat mijn geest keuzes maakt die gebaseerd zijn op mijn lichamelijke toestand. Maar in alles wat ik doe herinneren alleen de schopjes, en het bukken dat wat moeizamer gaat, mij er aan dat er een mensje in mij groeit. Ik fiets naar het station, haal koffie, lees de krant, doe mijn werk en maak me druk over zaken waarop ik geen invloed heb alsof dat wezentje helemaal niet bestaat. In dat korte ogenblik tussen gewekt worden en daadwerkelijk ontwaken, is het er zelfs even niet. Als de baby niet schopt en ik niet in een heldere staat van bewustzijn verkeer, is de zwangerschap even geen onderdeel van mij. Ik ‘voel’ het niet, al is het er onmiskenbaar.
Aristoteles beschreef verandering als de overgang van potentie naar actualiteit. Volgens die beschrijving zouden de grote veranderingen waar ik voor sta – verhuizing naar een andere stad, het moederschap – al ergens sluimerend aanwezig zijn geweest, om nu omgezet te worden naar de actualiteit. Waar ik riep nooit in een burgerlijke woonwijk te willen wonen en hoe lief mijn vrijheid mij was, was een gezin blijkbaar altijd mijn echte stille wens, met een huis dat de praktische omstandigheden biedt om deze wens te realiseren. Waren al mijn vragen – wil ik het, kan ik het, wat mis ik als ik het niet doe en wat loop ik mis als we er wél voor gaan – slechts buitenkant, een farce, verzonnen twijfels of hoe het ook te noemen, en wist ik diep van binnen al welke weg ik wilde inslaan. Actualiseert de zwanger- en straks het moederschap een potentie die niet alleen biologisch, maar ook psychologisch al in mij verscholen lag.
Mijn uiterlijk is anders, mijn definitie heeft een toevoeging gekregen (‘zwanger’), ik krijg er straks een taak bij en ik maak keuzes die ik anders niet maakte. Ik voel me echter nog precies dezelfde. Het is daar waar het wringt, waar lichaam, geest en ziel elkaar nog niet gevonden hebben. Waar mijn geest vanwege mijn lichaam weet hoe fijn dat grote huis in die woonwijk straks zal zijn, maar mijn ziel – het of het driftleven van mijn ziel, zoals Plato het zou noemen - hunkert naar mijn huidige leventje in de stad, naar mijn grootse plannen en ambities, naar de verhalen die ik wil maken en dat boek dat ik wil schrijven dat reizen vergt, en waarvan ik me door geen baby of woonwijk wil laten belemmeren. Waar mijn lichaam voorbereidingen treft voor de blijkbaar onvermijdelijke veranderingen, en mijn geest dit goedkeurt, krimpt mijn ziel plotseling ineen bij het besef dat mijn stadse leven over drie weken ophoudt.
Bén je je gedrag? Je keuzes? De veranderingen waartoe je beslist? Zo ja, dan ben ik wezenlijk veranderd, is 'ik' niet meer dezelfde als een maand of zes geleden. Maar ik hoop toch dat ieder mens een puur stukje ‘wezen’ heeft dat ongeacht de omstandigheden de kern blijft vormen van wie hij of zij is. Een puur deeltje, robuust, als een roomblanke pit, die diep vanbinnen onaangetast al die goede en minder goede dingen bevatten die een persoon tot zichzelf maken, waarvan omstandigheden en aangeleerde (slechte) gewoontes er als een soort schil af te pellen zijn, waardoor een onbespoten 'zijn' overblijft. Een stukje waar baby, woonwijk of vertrek uit mijn geliefde stad niets aan veranderen. Een stukje dat ‘mij’ blijft, ook al ben ik met zijn tweeën.
Iets wat mij overigens, ook niet onbelangrijk, heel gelukkig maakt.
Deze vraag laat mij niet los sinds de opmerking van mijn collega. Ik zie mijzelf keuzes maken waarvan ik een paar jaar geleden nog zei: over mijn lijk. Wonen in een kindvriendelijke woonwijk? Dat bén ik niet, riep ik vijf jaar geleden toen mijn man en ik op zoek gingen naar een huisje voor ons samen. Een appartement moest het worden, dicht bij zee, op korte afstand van de stad. Een huis met een tuin? Burgerlijk, vond ik.
Over vijf dagen krijgen we de sleutel van ons twee-onder-een-kap huis met tuin en garage in een kindvriendelijke wijk in een gemeente die een zesde meet van mijn huidige woonplaats Den Haag.
Een verandering die is ingegeven door de feitelijke omstandigheden van het kleine wezentje in mijn buik. Een verandering die zonder die omstandigheid misschien niet had plaatsgevonden. Een verandering die nog steeds voelt alsof hij los van mij staat, net als alles wat ik hoor en lees in voorbereiding op de aanstaande bevalling en het moederschap.
Maar hoewel mijn lijf zwanger, doet mijn hoofd daar nog niet volledig aan mee. Altijd geloofde ik in een onlosmakelijke verbondenheid van lichaam, geest en ziel, maar sinds die zwangerschapstest een positieve uitslag liet zien, ben ik daar niet meer zeker van. Ja, wel in die zin dat mijn geest keuzes maakt die gebaseerd zijn op mijn lichamelijke toestand. Maar in alles wat ik doe herinneren alleen de schopjes, en het bukken dat wat moeizamer gaat, mij er aan dat er een mensje in mij groeit. Ik fiets naar het station, haal koffie, lees de krant, doe mijn werk en maak me druk over zaken waarop ik geen invloed heb alsof dat wezentje helemaal niet bestaat. In dat korte ogenblik tussen gewekt worden en daadwerkelijk ontwaken, is het er zelfs even niet. Als de baby niet schopt en ik niet in een heldere staat van bewustzijn verkeer, is de zwangerschap even geen onderdeel van mij. Ik ‘voel’ het niet, al is het er onmiskenbaar.
Aristoteles beschreef verandering als de overgang van potentie naar actualiteit. Volgens die beschrijving zouden de grote veranderingen waar ik voor sta – verhuizing naar een andere stad, het moederschap – al ergens sluimerend aanwezig zijn geweest, om nu omgezet te worden naar de actualiteit. Waar ik riep nooit in een burgerlijke woonwijk te willen wonen en hoe lief mijn vrijheid mij was, was een gezin blijkbaar altijd mijn echte stille wens, met een huis dat de praktische omstandigheden biedt om deze wens te realiseren. Waren al mijn vragen – wil ik het, kan ik het, wat mis ik als ik het niet doe en wat loop ik mis als we er wél voor gaan – slechts buitenkant, een farce, verzonnen twijfels of hoe het ook te noemen, en wist ik diep van binnen al welke weg ik wilde inslaan. Actualiseert de zwanger- en straks het moederschap een potentie die niet alleen biologisch, maar ook psychologisch al in mij verscholen lag.
Mijn uiterlijk is anders, mijn definitie heeft een toevoeging gekregen (‘zwanger’), ik krijg er straks een taak bij en ik maak keuzes die ik anders niet maakte. Ik voel me echter nog precies dezelfde. Het is daar waar het wringt, waar lichaam, geest en ziel elkaar nog niet gevonden hebben. Waar mijn geest vanwege mijn lichaam weet hoe fijn dat grote huis in die woonwijk straks zal zijn, maar mijn ziel – het of het driftleven van mijn ziel, zoals Plato het zou noemen - hunkert naar mijn huidige leventje in de stad, naar mijn grootse plannen en ambities, naar de verhalen die ik wil maken en dat boek dat ik wil schrijven dat reizen vergt, en waarvan ik me door geen baby of woonwijk wil laten belemmeren. Waar mijn lichaam voorbereidingen treft voor de blijkbaar onvermijdelijke veranderingen, en mijn geest dit goedkeurt, krimpt mijn ziel plotseling ineen bij het besef dat mijn stadse leven over drie weken ophoudt.
Bén je je gedrag? Je keuzes? De veranderingen waartoe je beslist? Zo ja, dan ben ik wezenlijk veranderd, is 'ik' niet meer dezelfde als een maand of zes geleden. Maar ik hoop toch dat ieder mens een puur stukje ‘wezen’ heeft dat ongeacht de omstandigheden de kern blijft vormen van wie hij of zij is. Een puur deeltje, robuust, als een roomblanke pit, die diep vanbinnen onaangetast al die goede en minder goede dingen bevatten die een persoon tot zichzelf maken, waarvan omstandigheden en aangeleerde (slechte) gewoontes er als een soort schil af te pellen zijn, waardoor een onbespoten 'zijn' overblijft. Een stukje waar baby, woonwijk of vertrek uit mijn geliefde stad niets aan veranderen. Een stukje dat ‘mij’ blijft, ook al ben ik met zijn tweeën.
Iets wat mij overigens, ook niet onbelangrijk, heel gelukkig maakt.
woensdag 9 oktober 2013
'Ik voel me schuldig dat het goed met me gaat'
“Lieverd, ik wilde je even laten weten dat we morgen naar huis komen.” De stem van mijn moeder trilde door de telefoon vanuit Frankrijk. “Ik heb een knobbeltje in mijn borst. En het is waarschijnlijk niet onschuldig.”
Dat wat ik zo vaak had gelezen, voelde ik nu zelf gebeuren: alsof de grond
onder mijn voeten vandaan zakte. Mijn sportieve en kerngezonde moeder, die net
met mijn vader richting Zuid-Europa was vertrokken om zoals ieder jaar drie
maanden met de caravan rond te reizen? Ik kon het nauwelijks geloven. Maar de
arts in Frankrijk was heel duidelijk geweest: het was geen melkkliertje, geen
cyste, dus verder onderzoek was nodig. Aldus geschiedde. Een echo, een
mammografie, een naald in de knobbel, en een paar uur later de uitslag:
kwaadaardig. Borstkanker.
“Maar u gaat er niet dood aan hoor, mevrouw”, besloot de oncoloog zijn verhaal blijmoedig.
Zijn woorden luidden een stroom van verder goed nieuws in. De MRI-scan toonde geen uitzaaiingen. De poortwachtersklier bleek schoon. De tumor was uitstekend te opereren. De borst ging er af, maar werd tijdens de operatie door de plastisch chirurg keurig vervangen door een prothese. Chemotherapie of bestraling bleken niet nodig; wel vijf jaar lang het slikken van een dagelijkse hormoonpil, maar, zoals mijn moeder zei, ‘dat heb ik heel lang geleden ook jaren gedaan.’
Deze maand is borstkankermaand. Reden voor stichting Pink Ribbon om ons via advertenties en billboards te confronteren met het schokkende feit dat dagelijks negen vrouwen in Nederland overlijden aan deze ziekte. Iets dat hoognodig aandacht verdient: patiënten zouden in hun omgeving namelijk op weinig begrip kunnen rekenen omdat borstkanker steeds meer wordt gezien als een ziekte die prima te genezen is. Niets is minder waar, aldus Pink Ribbon. Het is doodsoorzaak nummer één voor vrouwen tussen de 35 en 55, het treft 1 op de 8 vrouwen, en zo gaat het op de website nog even door met morbide feiten.
Interessant is dan ook dat KWF Kankerbestrijding – toch eveneens een fondsenwervende organisatie - op haar site een ietwat ander beeld schetst. Op nummer één van de top 10 van fabels over borstkanker staat: aan borstkanker ga je altijd dood. Hoewel vrouwen inderdaad kunnen sterven aan borstkanker, overleven veel vrouwen de ziekte, schrijft KWF. De kans dat een vrouw na 10 jaar nog in leven is, is in Nederland zo’n 75% en de kans om na 5 jaar nog in leven te zijn is zo’n 85%.
Maar dergelijke hoopgevende informatie staat nou nooit eens in advertenties. Want dat brengt geen geld in het laatje.
Toen mijn moeder op haar sportclub, kerkkoor en vrijwilligerswerk over haar diagnose vertelde, was ze verbijsterd over de hoeveelheid lotgenotes die ze bleek te hebben. Stuk voor stuk inmiddels kerngezonde vrouwen. Dit, in combinatie met de positieve boodschap van de artsen en haar eigen nuchtere houding die na de eerste schrik weer de overhand kreeg, maakte dat mijn moeder ‘het knobbeltje’ al snel in het voor haar geldende perspectief plaatse: iets vervelends dat eruit moest om daarna weer vrolijk verder te kunnen.
Die houding was voor sommige mensen in haar omgeving een stap te ver. Van voortdurende uitroepen hoe verschrikkelijk het allemaal niet was tot kaarten met teksten die haar het gevoel gaven alsof ze nog maar een paar weken te leven had: het woord ‘kanker’ bleek een emotie los te maken die soms niet te relativeren viel door de feiten over haar situatie. Van het onbegrip waar Pink Ribbon over rept, was niets te bekennen. Integendeel. Vooral het feit dat haar borst eraf ging, deed mensen denken dat het goed mis was, terwijl dit werd gedaan om de puur esthetische reden dat er bij het enkel wegsnijden van de tumor nauwelijks wat over zou blijven van mijn moeders bescheiden cupmaat. “Ik voel me soms schuldig dat het goed met me gaat”, vertrouwde mijn moeder me eens toe na weer enkele goedbedoelde, maar haar ernstig verlegen makende uitingen van intens medelijden over ‘haar lot’.
“Maar u gaat er niet dood aan hoor, mevrouw”, besloot de oncoloog zijn verhaal blijmoedig.
Zijn woorden luidden een stroom van verder goed nieuws in. De MRI-scan toonde geen uitzaaiingen. De poortwachtersklier bleek schoon. De tumor was uitstekend te opereren. De borst ging er af, maar werd tijdens de operatie door de plastisch chirurg keurig vervangen door een prothese. Chemotherapie of bestraling bleken niet nodig; wel vijf jaar lang het slikken van een dagelijkse hormoonpil, maar, zoals mijn moeder zei, ‘dat heb ik heel lang geleden ook jaren gedaan.’
Deze maand is borstkankermaand. Reden voor stichting Pink Ribbon om ons via advertenties en billboards te confronteren met het schokkende feit dat dagelijks negen vrouwen in Nederland overlijden aan deze ziekte. Iets dat hoognodig aandacht verdient: patiënten zouden in hun omgeving namelijk op weinig begrip kunnen rekenen omdat borstkanker steeds meer wordt gezien als een ziekte die prima te genezen is. Niets is minder waar, aldus Pink Ribbon. Het is doodsoorzaak nummer één voor vrouwen tussen de 35 en 55, het treft 1 op de 8 vrouwen, en zo gaat het op de website nog even door met morbide feiten.
Interessant is dan ook dat KWF Kankerbestrijding – toch eveneens een fondsenwervende organisatie - op haar site een ietwat ander beeld schetst. Op nummer één van de top 10 van fabels over borstkanker staat: aan borstkanker ga je altijd dood. Hoewel vrouwen inderdaad kunnen sterven aan borstkanker, overleven veel vrouwen de ziekte, schrijft KWF. De kans dat een vrouw na 10 jaar nog in leven is, is in Nederland zo’n 75% en de kans om na 5 jaar nog in leven te zijn is zo’n 85%.
Maar dergelijke hoopgevende informatie staat nou nooit eens in advertenties. Want dat brengt geen geld in het laatje.
Toen mijn moeder op haar sportclub, kerkkoor en vrijwilligerswerk over haar diagnose vertelde, was ze verbijsterd over de hoeveelheid lotgenotes die ze bleek te hebben. Stuk voor stuk inmiddels kerngezonde vrouwen. Dit, in combinatie met de positieve boodschap van de artsen en haar eigen nuchtere houding die na de eerste schrik weer de overhand kreeg, maakte dat mijn moeder ‘het knobbeltje’ al snel in het voor haar geldende perspectief plaatse: iets vervelends dat eruit moest om daarna weer vrolijk verder te kunnen.
Die houding was voor sommige mensen in haar omgeving een stap te ver. Van voortdurende uitroepen hoe verschrikkelijk het allemaal niet was tot kaarten met teksten die haar het gevoel gaven alsof ze nog maar een paar weken te leven had: het woord ‘kanker’ bleek een emotie los te maken die soms niet te relativeren viel door de feiten over haar situatie. Van het onbegrip waar Pink Ribbon over rept, was niets te bekennen. Integendeel. Vooral het feit dat haar borst eraf ging, deed mensen denken dat het goed mis was, terwijl dit werd gedaan om de puur esthetische reden dat er bij het enkel wegsnijden van de tumor nauwelijks wat over zou blijven van mijn moeders bescheiden cupmaat. “Ik voel me soms schuldig dat het goed met me gaat”, vertrouwde mijn moeder me eens toe na weer enkele goedbedoelde, maar haar ernstig verlegen makende uitingen van intens medelijden over ‘haar lot’.
Kanker wordt nog vaak gezien als doodvonnis, iets wat ook
deze borstkankermaand weer gevoed wordt door Pink Ribbon. En het is
verschrikkelijk dat dit voor teveel mensen met borstkanker helaas het geval is;
meer onderzoek naar genezing is alleen maar toe te juichen. Maar een iets
eerlijker verhaal over kanker zou niet misstaan. Al was het maar om de angst
van patiënten en hun omgeving niet groter te maken dan voor hun specifieke
situatie nodig. Net zoals ieder mens, is ook ieder knobbeltje anders. En
gelukkig ook vaak genoeg een kwestie van
‘ding eruit en klaar’, zoals godzijdank bij mijn moeder het geval was, en
allesbehalve het einde van de wereld.
Volgend jaar wordt de caravan weer gewoon van stal gehaald.
Volgend jaar wordt de caravan weer gewoon van stal gehaald.
Dit artikel is woensdag 9 oktober 2013 gepubliceerd op de opiniepagina van de Volkskrant
Abonneren op:
Posts (Atom)