Zwembad De Waterthor, Den Haag, vrijdagmiddag. Het eindsignaal van het uur vrijzwemmen heeft geklonken, ik klim uit het zwembad en loop naar een van de toezichthoudende badjuffen.
‘Goedemiddag, mag ik u een idee voorleggen?’
‘Natuurlijk, dat mag altijd.’
‘Het lijkt mij zo fijn als er voortaan lijnen in het zwembad zouden liggen, zodat iedereen echt banen kan zwemmen. Nu zwemt iedereen kris kras door elkaar en botst voortdurend tegen elkaar op, wat het zwemgenot niet tegemoet komt.’
‘Daarom hebben we ook één baan speciaal voor de snelle zwemmers.’
‘Dat weet ik, daar zwem ik ook altijd. Alleen stroomt die baan iedere week ook vol met langzame zwemmers, waardoor het idee van die baan zijn doel een beetje voorbij schiet. Blijkbaar willen veel meer mensen in een echte baan zwemmen, dat is tenslotte ook veel prettiger. Dus is mijn voorstel: leg in het hele bad lijnen neer, dan kan iedereen gestructureerd zwemmen.’
‘Dat kan helaas niet. Dan moet het uur tussen de middag ‘banen zwemmen’ heten in de folder en op de website, en zo heet het niet.’
‘Maar dan plakt u er toch gewoon de naam ‘banen zwemmen’ op? Probleem opgelost!’
‘Dat kan niet. Als we het ‘banen zwemmen’ noemen, moeten er verplicht banen in liggen.’
‘Ja…dat is toch ook precies wat ik voorstel?’
‘De indeling van het zwembad is beleid dat op kantoor wordt gemaakt. Daar mogen wij niet zomaar over beslissen.’
‘Ook niet over iets eenvoudigs als lijnen in het zwembad leggen? Is dat niet wat ingewikkeld? Ik weet zeker dat u de meeste zwemmers een groot plezier doet.’
‘Persoonlijk ben ik het helemaal met u eens. Maar helaas kan dat niet, want het heet nu eenmaal geen ‘banen zwemmen’. En dat staat vast. Er is dus maar één baan, en als u last heeft van langzame zwemmers kunt u dat gerust bij ons melden. Dan zeggen wij er wat van.’
‘Vindt u het erg als ik deze redenering niet begrijp?’
‘Ik begrijp best dat u het niet begrijpt. Maar zo werkt het nu eenmaal. Goedemiddag.’
vrijdag 28 september 2012
maandag 24 september 2012
Blijkbaar hebben we allemaal een 'Haren' nodig
Mijn eerste vriendje woonde in Haren. Het was een gevalletje vakantieliefde op de camping in Frankrijk, waar ik als een blok viel voor zijn blauwe ogen, blonde lokken en blozende wangen. Waar hij op viel, was voor mij een compleet raadsel. Maar feit was dat hij me, na een paar dagen puberaal om elkaar heen draaien, het insmeren van elkaars rug op het strand en slowen (ook bekend als slijpen of schuifelen, afhankelijk van de regio waaruit men afkomstig is) in de campingdisco, op een avond naar mijn tent terug bracht en onze vakantieverkering officieel aftrapte met die eerste zoen.
Op wolkjes beleefde ik de rest van de vakantie. Onder de Zuid-Franse zon overbrugden we probleemloos onze talrijke verschillen: in regionale afkomst (hij Groningen, ik Zuid-Holland), in ervaring (niemand wordt als good kisser geboren – ook hij niet). opleidingsniveau (ik de versie met Grieks en Latijn, hij wat nu VMBO kader beroeps zou heten) en muziek (hij gabberhouse, ik toen nog mainstream meuk). Ze deden er simpelweg niet eens toe. We waren verliefd, op dat moment in hetzelfde land en wie zit te wachten op inhoudelijke gesprekken als je de tijd ook kunt doden met elkaars hand vasthouden en in elkaars ogen kijken?
Tranen met tuiten huilde ik toen hij als eerste van ons huiswaarts keerde, waarna ik de dagen telde tot ook wij de camping, waar zonder hem geen bal meer aan was, zouden verlaten. De eerste met aftershave besproeide brief droeg ik wekenlang bij me, overal waar ik naar toe ging. Nog dezelfde zomervakantie kwam hij me opzoeken in ons dorp in Zuid-Holland. Ondanks dat we op een totaal andere manier in ons prille leven bleken te staan, wist ik: de toekomst was van ons. We waren namelijk voor elkaar bestemd.
Er was echter één verschil dat niet te overbruggen bleek. Namelijk het salaris van onze vaders. De mijne was bankier, ettelijke lagen onder Rijkman Groenink en zo mogelijk nog verder onder de Balkenendenorm, maar met een inkomen dat ruim voldoende voor het financieren van onze keurige twee-onder-een-kapper. Die van hem was directeur van het een of ander. Dit ontdekte ik bij mijn eerste bezoek aan Haren, toen hij de fiets waarmee hij me van het station haalde tot stilstand bracht voor een kast van een villa, met eindeloze oprijlaan en een tuin met formaatje voetbalveld (in mijn ogen dan). ‘Wow, wat een megahuis’, riep ik met kinderlijke bewondering uit.
Het was even stil.
‘Ja’, sprak hij. ‘Toen ik jullie huis zag, dacht ik ook wel even: jeetje, is dat het nou?’
Het werd nog stiller.
En stil bleef het de rest van het weekend. Na deze opmerking openbaarden al onze met veel ijver overbrugde verschillen zich ineens open en bloot, en werd pijnlijk duidelijk dat die gedroomde toekomst in razend tempo in duigen aan het vallen was. Met zijn zus voerde ik meer en vooral leukere gesprekken dan met hem, en op het station vlak voor mijn terugreis beëindigden we met wederzijdse instemming, in goed overleg, onze romance.
Kijkend naar de beelden van de straten van Haren – misschien de zijne wel, wie weet – die afgelopen weekend kort en klein werden geslagen, dacht ik terug aan mijn eerste en enige bezoek aan dit inmiddels wereldberoemde dorp. ‘Haren’ is voor mij in de jaren nadien symbool geworden voor het verlies van de illusie dat liefde alle verschillen kan overbruggen, als we maar graag genoeg willen. ‘Haren’ leerde mij subtiele waarschuwingen niet in de wind te slaan. In die zin (en alleen in die) betekent ‘Haren’ het begin van mijn verloren onschuld, naïviteit en blindheid voor mogelijke problemen.
Afgelopen weekend laat zien dat meerdere mensen, misschien heel Nederland wel, helaas een ‘Haren’ nodig bleken te hebben om een vergelijkbare les te leren.
Het is te hopen dat voor hen één keer voldoende is.
Op wolkjes beleefde ik de rest van de vakantie. Onder de Zuid-Franse zon overbrugden we probleemloos onze talrijke verschillen: in regionale afkomst (hij Groningen, ik Zuid-Holland), in ervaring (niemand wordt als good kisser geboren – ook hij niet). opleidingsniveau (ik de versie met Grieks en Latijn, hij wat nu VMBO kader beroeps zou heten) en muziek (hij gabberhouse, ik toen nog mainstream meuk). Ze deden er simpelweg niet eens toe. We waren verliefd, op dat moment in hetzelfde land en wie zit te wachten op inhoudelijke gesprekken als je de tijd ook kunt doden met elkaars hand vasthouden en in elkaars ogen kijken?
Tranen met tuiten huilde ik toen hij als eerste van ons huiswaarts keerde, waarna ik de dagen telde tot ook wij de camping, waar zonder hem geen bal meer aan was, zouden verlaten. De eerste met aftershave besproeide brief droeg ik wekenlang bij me, overal waar ik naar toe ging. Nog dezelfde zomervakantie kwam hij me opzoeken in ons dorp in Zuid-Holland. Ondanks dat we op een totaal andere manier in ons prille leven bleken te staan, wist ik: de toekomst was van ons. We waren namelijk voor elkaar bestemd.
Er was echter één verschil dat niet te overbruggen bleek. Namelijk het salaris van onze vaders. De mijne was bankier, ettelijke lagen onder Rijkman Groenink en zo mogelijk nog verder onder de Balkenendenorm, maar met een inkomen dat ruim voldoende voor het financieren van onze keurige twee-onder-een-kapper. Die van hem was directeur van het een of ander. Dit ontdekte ik bij mijn eerste bezoek aan Haren, toen hij de fiets waarmee hij me van het station haalde tot stilstand bracht voor een kast van een villa, met eindeloze oprijlaan en een tuin met formaatje voetbalveld (in mijn ogen dan). ‘Wow, wat een megahuis’, riep ik met kinderlijke bewondering uit.
Het was even stil.
‘Ja’, sprak hij. ‘Toen ik jullie huis zag, dacht ik ook wel even: jeetje, is dat het nou?’
Het werd nog stiller.
En stil bleef het de rest van het weekend. Na deze opmerking openbaarden al onze met veel ijver overbrugde verschillen zich ineens open en bloot, en werd pijnlijk duidelijk dat die gedroomde toekomst in razend tempo in duigen aan het vallen was. Met zijn zus voerde ik meer en vooral leukere gesprekken dan met hem, en op het station vlak voor mijn terugreis beëindigden we met wederzijdse instemming, in goed overleg, onze romance.
Kijkend naar de beelden van de straten van Haren – misschien de zijne wel, wie weet – die afgelopen weekend kort en klein werden geslagen, dacht ik terug aan mijn eerste en enige bezoek aan dit inmiddels wereldberoemde dorp. ‘Haren’ is voor mij in de jaren nadien symbool geworden voor het verlies van de illusie dat liefde alle verschillen kan overbruggen, als we maar graag genoeg willen. ‘Haren’ leerde mij subtiele waarschuwingen niet in de wind te slaan. In die zin (en alleen in die) betekent ‘Haren’ het begin van mijn verloren onschuld, naïviteit en blindheid voor mogelijke problemen.
Afgelopen weekend laat zien dat meerdere mensen, misschien heel Nederland wel, helaas een ‘Haren’ nodig bleken te hebben om een vergelijkbare les te leren.
Het is te hopen dat voor hen één keer voldoende is.
dinsdag 18 september 2012
Dear Lonely Planet,
While I meant to write to you immediately after I returned from my latest trip about a week and a half ago, I unfortunately failed to stick to this resolution. Not only was there the post-travel obligation to return to work two days after I landed into daily life, but there was also this thing that made me decide to address some words to my all-time favourite travel guide in the first place. Namely: the post-travel exhaustion that I’ve been experiencing ever since I first got acquinted to Lonely Planet, and that hit me harder than ever this time.
Firstly, I can’t thank you enough for your existence. Being who you are, you’ve been one of my most important companions during the trips I’ve been fortunate enough to make. I purchased my first Lonely Planet edition to help me find my way in the city in which I was going to spend six month, working as an intern for Amnesty International: Sydney. The Sydney LP helped me make sense of this huge city, not only of the main tourist attractions but especially the off-the-beaten-track beaches, cafés, national parks, shops and bars. From then on, I was hooked. The tone of voice, the inspiring ‘about the authors’-bits that immediately made me long to be one myself (never having had the guts to become a professional traveller, unfortunately), the amazing restaurants I would never have found without that wonderful blue book, the facts and figures about my travel destinations, and most of all: the authors’ ability to turn even the dullest place in a country into a ‘must-see’ and an obligatory part of a trip.
And that specific quality, Lonely Planet, has yet again turned out to be not only the characteristic that makes me keep coming back to you, but also the one that gets me down each time I let your lovely authors guide my travels. Your have a gift to describe each museum, church, park, café, tiny village, uninspiring town or out-of-the-way national park in such a tone of voice that I cannot help but concluding that my trip has not been complete without visiting that museum or without having had coffee in that specific bar. Your list of things to see, activities, where to eat & drink and nightlife is so extensive and so enthusiastically written about that I find it almost impossible to chose. According to your amazing authors, everything they write about is beautiful and and shouldn’t be missed. I admire their capacity to look beneath the surface of a town that is not as attractive at first sight; thanks to this ability I have enjoyed cities I never even thought I’d visit.
But the unfortunate truth is that one cannot see it all in three weeks. Therefore, one has to make choices. Your offered itineries and ‘Ljubljana in 2 days’ do certainly point out the highlights and are definitely helpful in that difficult proces. But whenever I have tailored my trip, I always happen to stumble upon your description of that one national park that is supposedly simply THE most quiet, natural, easy to reach or extraordinary the country has to offer. Whenever I have picked the cities I will visit and, as a consequence, the ones I’ll give a miss, I happen to read about the amazing café culture in exactly that city I will not be visiting or that walking tour that must be the one of the most scenic of that part of the world, and regret my decision straight away. Because what if that other one is even nicer…?
I find myself whining to my husband about the places we will not be seeing, shouting how unfortunate it will be to miss the island that is apparently the most picturesque of all of Croatia. He on the other hand gets frustrated with my willing to squeeze as many Lonely Planet highlights into our 3 week journey. Halfway through our trip I realize I won’t have time to while away an afternoon in the most comfortable bar in Ljubljana, simply because our program is already packed – and complain to him about it. And by the way, how come we didn’t stop at the oldest church in Slovenia?
When I got home, I was tired. Tired of only having stayed one or two nights in one places because I really needed to visit this cute fishing village as well. Tired of having awarded myself only one lazy afternoon, which I spent frantically scanning the LP to see if we really couldn’t fit in that one national park on the way. Tired of deciding which island to go, where to have lunch, coffee and dinner, which beach to visit, what museum to pick – and what not. Tired of keeping myself from reading that page about that great cycling path we were not able to make. I felt I needed a holiday, someting I of course could not tell anyone having just been away for 3 weeks.
I know you mean no harm at all, on the contrary: I know you only want to make life easier and more exciting for adventurous travellers. But the truth is: you are just too good. And I am just too bad at making decisions and sticking to them, and too easy a victim of your enthusiasm, your thorough knowledge and your advice that makes me frantically travel those extra miles to see….well, you get the idea.
And that’s why, dear Lonely Planet, I decided not bring you on my next travel adventure. I am in need of a vacation without knowing all there is to see in the area I go to. I need to not want to get as much out of my time in my travel destination as possible. I need only one beach, three nice cities – tops, a few restaurants and bars and lots and lots of afternoons to while away, in the guesthouse or camping of whatever accommodation I chose before heading off. I need a very non-Lonely Planet trip, before I will be able to join you across the world again.
Because one thing is certain. I might not be able to live with you at this particular moment, but I certainly would be lost without you.
Until we meet again,
With love,
Suzanne
Firstly, I can’t thank you enough for your existence. Being who you are, you’ve been one of my most important companions during the trips I’ve been fortunate enough to make. I purchased my first Lonely Planet edition to help me find my way in the city in which I was going to spend six month, working as an intern for Amnesty International: Sydney. The Sydney LP helped me make sense of this huge city, not only of the main tourist attractions but especially the off-the-beaten-track beaches, cafés, national parks, shops and bars. From then on, I was hooked. The tone of voice, the inspiring ‘about the authors’-bits that immediately made me long to be one myself (never having had the guts to become a professional traveller, unfortunately), the amazing restaurants I would never have found without that wonderful blue book, the facts and figures about my travel destinations, and most of all: the authors’ ability to turn even the dullest place in a country into a ‘must-see’ and an obligatory part of a trip.
And that specific quality, Lonely Planet, has yet again turned out to be not only the characteristic that makes me keep coming back to you, but also the one that gets me down each time I let your lovely authors guide my travels. Your have a gift to describe each museum, church, park, café, tiny village, uninspiring town or out-of-the-way national park in such a tone of voice that I cannot help but concluding that my trip has not been complete without visiting that museum or without having had coffee in that specific bar. Your list of things to see, activities, where to eat & drink and nightlife is so extensive and so enthusiastically written about that I find it almost impossible to chose. According to your amazing authors, everything they write about is beautiful and and shouldn’t be missed. I admire their capacity to look beneath the surface of a town that is not as attractive at first sight; thanks to this ability I have enjoyed cities I never even thought I’d visit.
But the unfortunate truth is that one cannot see it all in three weeks. Therefore, one has to make choices. Your offered itineries and ‘Ljubljana in 2 days’ do certainly point out the highlights and are definitely helpful in that difficult proces. But whenever I have tailored my trip, I always happen to stumble upon your description of that one national park that is supposedly simply THE most quiet, natural, easy to reach or extraordinary the country has to offer. Whenever I have picked the cities I will visit and, as a consequence, the ones I’ll give a miss, I happen to read about the amazing café culture in exactly that city I will not be visiting or that walking tour that must be the one of the most scenic of that part of the world, and regret my decision straight away. Because what if that other one is even nicer…?
I find myself whining to my husband about the places we will not be seeing, shouting how unfortunate it will be to miss the island that is apparently the most picturesque of all of Croatia. He on the other hand gets frustrated with my willing to squeeze as many Lonely Planet highlights into our 3 week journey. Halfway through our trip I realize I won’t have time to while away an afternoon in the most comfortable bar in Ljubljana, simply because our program is already packed – and complain to him about it. And by the way, how come we didn’t stop at the oldest church in Slovenia?
When I got home, I was tired. Tired of only having stayed one or two nights in one places because I really needed to visit this cute fishing village as well. Tired of having awarded myself only one lazy afternoon, which I spent frantically scanning the LP to see if we really couldn’t fit in that one national park on the way. Tired of deciding which island to go, where to have lunch, coffee and dinner, which beach to visit, what museum to pick – and what not. Tired of keeping myself from reading that page about that great cycling path we were not able to make. I felt I needed a holiday, someting I of course could not tell anyone having just been away for 3 weeks.
I know you mean no harm at all, on the contrary: I know you only want to make life easier and more exciting for adventurous travellers. But the truth is: you are just too good. And I am just too bad at making decisions and sticking to them, and too easy a victim of your enthusiasm, your thorough knowledge and your advice that makes me frantically travel those extra miles to see….well, you get the idea.
And that’s why, dear Lonely Planet, I decided not bring you on my next travel adventure. I am in need of a vacation without knowing all there is to see in the area I go to. I need to not want to get as much out of my time in my travel destination as possible. I need only one beach, three nice cities – tops, a few restaurants and bars and lots and lots of afternoons to while away, in the guesthouse or camping of whatever accommodation I chose before heading off. I need a very non-Lonely Planet trip, before I will be able to join you across the world again.
Because one thing is certain. I might not be able to live with you at this particular moment, but I certainly would be lost without you.
Until we meet again,
With love,
Suzanne
dinsdag 3 juli 2012
Ik ben bijna oud
Deze column schreef ik in juni 2012 als ghostwriter voor het vakblad Kwaliteit in Bedrijf. De 'ik'-vormen in de column betreffen Alice van den Berge, algemeen manager van ISO-point, onder wiens naam deze columns in het blad verschijnen.
Hoe vaak ik het krantenbericht ook herlas, het stond er echt, zwart op wit. ‘Vooral jongeren (tussen de 15 en 25 jaar) en ouderen (tussen de 45 en 65 jaar) raakten sinds begin dit jaar hun baan kwijt’. Niet het onderwerp van het artikel, namelijk de werkloosheid die haar hoogste punt in zes jaar had bereikt, trof me als een donderslag. Wél het feit iedereen van boven de 45 blijkbaar officieel tot de ouderen op de arbeidsmarkt behoort. De groep waar ik over veel te weinig jaren zelf toe behoor. De groep waarvan de jongste leden nog minimaal 22 jaar deel uit zullen maken van die arbeidsmarkt.
Ik was verbijsterd.
Want het bestempelen van deze groep als ‘oud’ is volledig tegengesteld aan de ontwikkeling die er in de samenleving te bespeuren is. Wie een 60-jarige zijn zitplaats in de bus aanbiedt, krijgt doorgaans een trots ‘nee hoor, ik kan prima staan’ te horen: de zestigers van vandaag voelen zich allesbehalve oud. Iemand die op zijn 65ste overlijdt, vinden we collectief ‘veel te jong’. We worden met zijn allen steeds ouder en voelen ons daarbij alsmaar jonger, moeten langer werken maar vinden dat door de bank genomen ook niet zo erg: de gemiddelde Nederlandse man wordt met gemak 79, een vrouw haalt probleemloos de 82.
Op de arbeidsmarkt behoren mensen van 45 al tot de groep die op basis van hun leeftijd moeilijk aan het werk komt, zo berichten media en zo hoor ik steeds vaker in mijn omgeving. Weliswaar toont onderzoek weer aan dat “ouderen” in hun zoektocht naar werk nog onvoldoende gebruik maken van sociale media en nog teveel vertrouwen op de ouderwetse krantenadvertentie; mogelijk zouden de cijfers er minder dramatisch uitzien wanneer de 45-plussers zich en masse op twitter en LinkedIn zouden aanbieden (dus bij deze: hup, aanmaken dat profiel!). Maar een groter probleem is het feit dat de arbeidsmarkt blijkbaar achterloopt bij de nieuwe realiteit in alle andere aspecten van het leven: namelijk dat iemand van 45 onmogelijk al ‘oud’ genoemd kan worden.
Want hoewel mijn kinderen mij natuurlijk stokoud vinden, ben ik als ik zelf over een paar jaar 45 word nog maar net op de helft van mijn arbeidszame leven. Moet ik het, als ik na die tijd nog een nieuwe carrièrestap wil maken, dan alleen op grond van mijn leeftijd afleggen tegen jongere concurrenten? Zou alles wat ik heb opgebouwd aan kennis en ervaring dan niet meer tellen? Om over mijn motivatie en werklust nog maar niet te spreken?
Ik kan alleen maar hartgrondig hopen dat er tegen die tijd een bureau zoals ISO-point op mijn pad komt, waar mensen werken die mij beoordelen om wie ik ben en wat ik kan. En niet om het jaar waarin ik toevallig ben geboren.
Hoe vaak ik het krantenbericht ook herlas, het stond er echt, zwart op wit. ‘Vooral jongeren (tussen de 15 en 25 jaar) en ouderen (tussen de 45 en 65 jaar) raakten sinds begin dit jaar hun baan kwijt’. Niet het onderwerp van het artikel, namelijk de werkloosheid die haar hoogste punt in zes jaar had bereikt, trof me als een donderslag. Wél het feit iedereen van boven de 45 blijkbaar officieel tot de ouderen op de arbeidsmarkt behoort. De groep waar ik over veel te weinig jaren zelf toe behoor. De groep waarvan de jongste leden nog minimaal 22 jaar deel uit zullen maken van die arbeidsmarkt.
Ik was verbijsterd.
Want het bestempelen van deze groep als ‘oud’ is volledig tegengesteld aan de ontwikkeling die er in de samenleving te bespeuren is. Wie een 60-jarige zijn zitplaats in de bus aanbiedt, krijgt doorgaans een trots ‘nee hoor, ik kan prima staan’ te horen: de zestigers van vandaag voelen zich allesbehalve oud. Iemand die op zijn 65ste overlijdt, vinden we collectief ‘veel te jong’. We worden met zijn allen steeds ouder en voelen ons daarbij alsmaar jonger, moeten langer werken maar vinden dat door de bank genomen ook niet zo erg: de gemiddelde Nederlandse man wordt met gemak 79, een vrouw haalt probleemloos de 82.
Op de arbeidsmarkt behoren mensen van 45 al tot de groep die op basis van hun leeftijd moeilijk aan het werk komt, zo berichten media en zo hoor ik steeds vaker in mijn omgeving. Weliswaar toont onderzoek weer aan dat “ouderen” in hun zoektocht naar werk nog onvoldoende gebruik maken van sociale media en nog teveel vertrouwen op de ouderwetse krantenadvertentie; mogelijk zouden de cijfers er minder dramatisch uitzien wanneer de 45-plussers zich en masse op twitter en LinkedIn zouden aanbieden (dus bij deze: hup, aanmaken dat profiel!). Maar een groter probleem is het feit dat de arbeidsmarkt blijkbaar achterloopt bij de nieuwe realiteit in alle andere aspecten van het leven: namelijk dat iemand van 45 onmogelijk al ‘oud’ genoemd kan worden.
Want hoewel mijn kinderen mij natuurlijk stokoud vinden, ben ik als ik zelf over een paar jaar 45 word nog maar net op de helft van mijn arbeidszame leven. Moet ik het, als ik na die tijd nog een nieuwe carrièrestap wil maken, dan alleen op grond van mijn leeftijd afleggen tegen jongere concurrenten? Zou alles wat ik heb opgebouwd aan kennis en ervaring dan niet meer tellen? Om over mijn motivatie en werklust nog maar niet te spreken?
Ik kan alleen maar hartgrondig hopen dat er tegen die tijd een bureau zoals ISO-point op mijn pad komt, waar mensen werken die mij beoordelen om wie ik ben en wat ik kan. En niet om het jaar waarin ik toevallig ben geboren.
donderdag 21 juni 2012
Gezocht: fulltime manager (m/v), met ballen
Geen onderdeel van het bedrijf kende zoveel personeelsverloop als dat ene regiokantoor. De reden dat medewerkers het er gemiddeld nog geen jaar uithielden, was altijd dezelfde: niemand kon met de bijzonder dominante vestigingsmanager samenwerken, in wier ogen niemand ooit iets goed deed - behalve zijzelf. Het was alom bekend binnen het bedrijf, en alle vertrekkende medewerkers bleken er richting directie ook geen doekjes om te winden wat de reden was van hun vertrek. Iedereen, kortom, kende het probleem. Niemand van hogerhand greep in.
Lastige collega’s: managers branden er hun handen liever niet aan. Terwijl irritante, slecht functionerende en luie collega’s hoog scoren in de ranglijst van grootste ergernissen op het werk, zoals onderzoeken van onder meer TNO, CBS en Monsterboard laten zien, krijgen excessen in dergelijk gedrag verbazend veel ruimte om de werkvloer te domineren. Met argumenten als ‘zo is ze nu eenmaal’ of ‘maar in dit of dat is hij wel heel goed’ wordt gedrag getolereerd waarvan de meeste mensen het gevoel hebben dat ze er zélf nooit mee weg zouden komen.
Een collega van een vriendin valt dagelijks midden op de dag in slaap. Gewoon achter zijn bureau, snurkend en al. Klachten worden door de leidinggevende afgedaan met een ‘ach, over een tijdje gaat hij toch met de VUT’. Een andere vriendin heeft het een paar jaar moeten stellen met collega’s die het kantoor regelmatig als kapsalon gebruikten, het rookverbod negeerden en er waar mogelijk de kantjes vanaf liepen. Het management greep niet in en inmiddels is het betreffende bedrijfsonderdeel failliet. Toen een kennis, zelf teamleider, zich bij haar manager beklaagde over een onhandelbare dame in haar team die regelmatig doodleuk taken weigert uit te voeren, verzuchtte de manager: “Tja, zij had eigenlijk nooit een vast contract moeten krijgen. Ik weet nu ook niet wat ik ermee moet.”
Wat is er aan de hand met managers die gedrag accepteren dat funest is voor de motivatie van de andere collega’s? Is het gebrek aan durf om de lastige medewerker eens goed aan te pakken? Of is de kloof tussen directie en werkvloer zo groot geworden het managers niet interesseert wat er zich temidden van de dagelijkse processen afspeelt? Net zoals een vliegtuigongeluk aan de andere kant van de wereld waarbij geen Nederlanders betrokken zijn hier doorgaans op relatief weinig aandacht kan rekenen, is ‘de werkvloer’ voor het management misschien wel een bedrijfsonderdeel geworden dat zo ver van hun bed staat dat ze er geen morele verantwoordelijkheid meer voor voelen.
Vaak zijn de lastposten mensen met een vaste aanstelling, waardoor dan als excuus wordt aangevoerd ‘dat je er niet meer vanaf komt’. Om me heen hoor ik dan ook opgeluchte reacties over de versoepeling van het ontslagrecht die het Lenteakkoord belooft. Eindelijk kunnen bedrijven nu van die luie donders af zonder dat het ze een paar ton kost.
Dure ontslagregelingen vormen echter een zwak excuus in een poging het werkelijke probleem te verdoezelen. Het is namelijk niet versoepeling van het ontslagrecht dat de arbeidsmarkt nodig heeft, maar managers met ballen. Managers die ervoor zorgen dat slapende medewerkers een takenpakket krijgen dat ze bij de les houdt. Managers die niet pikken dat medewerkers gedemotiveerd worden door hun collega’s en het gevoel krijgen dat akelig gedrag wordt beloond. Managers die zich afvragen: hoe zou ik het vinden om dag in dag uit met iemand te moeten werken die liever lui is dan moe?
Mensen zijn ons grootste kapitaal, schreeuwt menig bedrijf van de daken. Zorg dan ook goed voor dat kapitaal. Ook het deel dat niét slaapt, snauwt of de kantjes ervan afloopt.
Dit artikel is vrijdag 22 juni gepubliceerd op de opiniepagina van NRC Nect
Lastige collega’s: managers branden er hun handen liever niet aan. Terwijl irritante, slecht functionerende en luie collega’s hoog scoren in de ranglijst van grootste ergernissen op het werk, zoals onderzoeken van onder meer TNO, CBS en Monsterboard laten zien, krijgen excessen in dergelijk gedrag verbazend veel ruimte om de werkvloer te domineren. Met argumenten als ‘zo is ze nu eenmaal’ of ‘maar in dit of dat is hij wel heel goed’ wordt gedrag getolereerd waarvan de meeste mensen het gevoel hebben dat ze er zélf nooit mee weg zouden komen.
Een collega van een vriendin valt dagelijks midden op de dag in slaap. Gewoon achter zijn bureau, snurkend en al. Klachten worden door de leidinggevende afgedaan met een ‘ach, over een tijdje gaat hij toch met de VUT’. Een andere vriendin heeft het een paar jaar moeten stellen met collega’s die het kantoor regelmatig als kapsalon gebruikten, het rookverbod negeerden en er waar mogelijk de kantjes vanaf liepen. Het management greep niet in en inmiddels is het betreffende bedrijfsonderdeel failliet. Toen een kennis, zelf teamleider, zich bij haar manager beklaagde over een onhandelbare dame in haar team die regelmatig doodleuk taken weigert uit te voeren, verzuchtte de manager: “Tja, zij had eigenlijk nooit een vast contract moeten krijgen. Ik weet nu ook niet wat ik ermee moet.”
Wat is er aan de hand met managers die gedrag accepteren dat funest is voor de motivatie van de andere collega’s? Is het gebrek aan durf om de lastige medewerker eens goed aan te pakken? Of is de kloof tussen directie en werkvloer zo groot geworden het managers niet interesseert wat er zich temidden van de dagelijkse processen afspeelt? Net zoals een vliegtuigongeluk aan de andere kant van de wereld waarbij geen Nederlanders betrokken zijn hier doorgaans op relatief weinig aandacht kan rekenen, is ‘de werkvloer’ voor het management misschien wel een bedrijfsonderdeel geworden dat zo ver van hun bed staat dat ze er geen morele verantwoordelijkheid meer voor voelen.
Vaak zijn de lastposten mensen met een vaste aanstelling, waardoor dan als excuus wordt aangevoerd ‘dat je er niet meer vanaf komt’. Om me heen hoor ik dan ook opgeluchte reacties over de versoepeling van het ontslagrecht die het Lenteakkoord belooft. Eindelijk kunnen bedrijven nu van die luie donders af zonder dat het ze een paar ton kost.
Dure ontslagregelingen vormen echter een zwak excuus in een poging het werkelijke probleem te verdoezelen. Het is namelijk niet versoepeling van het ontslagrecht dat de arbeidsmarkt nodig heeft, maar managers met ballen. Managers die ervoor zorgen dat slapende medewerkers een takenpakket krijgen dat ze bij de les houdt. Managers die niet pikken dat medewerkers gedemotiveerd worden door hun collega’s en het gevoel krijgen dat akelig gedrag wordt beloond. Managers die zich afvragen: hoe zou ik het vinden om dag in dag uit met iemand te moeten werken die liever lui is dan moe?
Mensen zijn ons grootste kapitaal, schreeuwt menig bedrijf van de daken. Zorg dan ook goed voor dat kapitaal. Ook het deel dat niét slaapt, snauwt of de kantjes ervan afloopt.
Dit artikel is vrijdag 22 juni gepubliceerd op de opiniepagina van NRC Nect
De online realiteit
Ik twitter, blog en facebook dus ik besta. René Descartes draait zich nu waarschijnlijk om in zijn graf, maar helaas voor hem komen we er met alleen maar denken allang niet meer. Het is immers een actief online netwerk met een respectabel aantal connecties, volgers, likes of vrienden dat vandaag de dag het belangrijkste bewijs vormt van iemands bestaan, en waarop we een oordeel over de kwaliteit ervan baseren.
Eén van de belangrijkste verschillen dat ons online bestaan biedt ten opzichte van het offline leven, is de vele mogelijkheden om de werkelijkheid aldaar net iets rooskleuriger te laten voorkomen; er is immers niemand die het op – offline - waarheid kan controleren. Op LinkedIn weerhoudt niets ons ervan ons profiel in te leiden met een wervende beschrijving van onze geweldige professionele persoonlijkheid, en die middelmatige baan op te leuken met indrukwekkende competenties, verantwoordelijkheden en resultaten. Op Facebook berichten we alleen over te gekke avonden met massa’s vrienden, niet over minder interessante momenten. En ook het leven van de gemiddelde twitteraar wordt gekenmerkt door #druk, #fijn en #spannend. Zelfstandig ondernemers halen aan één stuk door nieuwe opdrachten binnen, saaie werkdagen bestaan niet, net zo min als strubbelingen in het gezin, en o o o wat hebben we toch een bruisend sociaal leven. Het doet mij bij tijd en wijle wel eens twijfelen aan mezelf. Mijn werkdagen zijn niet altijd even interessant. Mijn kinderen zijn zeker niet altijd even engelachtig. En ook mijn sociale leven kent zijn ups en downs.
Laatst sprak ik – jawel, in levende lijve - een oud-collega die vrijwel dagelijks enthousiast twittert over zijn net opgerichte eigen bedrijf. Toen ik hem complimenteerde met zijn goede resultaten, zei hij: “Nou ja, ik zet natuurlijk alleen de successen op twitter. Niet al die afwijzingen die ik krijg en de lange dagen die ik maak voor een nog schamel inkomen.” Misschien niet aardig, maar ik was even opgelucht. Je zou bijna vergeten dat ook onze online vrienden gewoon mensen van vlees en bloed zijn die het, net als ons, onmogelijk voortdurend voor de wind kan gaan. En deed me weer eens beseffen hoe belangrijk het is om regelmatig een offline kop koffie met mijn twitter- en LinkedIn vrienden te drinken – om te horen hoe het nu écht met ze gaat.
Deze column schreef ik als ghostwriter voor vakblad Kwaliteit in Bedrijf. De ik-vormen verwijzen naar degene onder wiens naam de column is gepubliceerd.
Eén van de belangrijkste verschillen dat ons online bestaan biedt ten opzichte van het offline leven, is de vele mogelijkheden om de werkelijkheid aldaar net iets rooskleuriger te laten voorkomen; er is immers niemand die het op – offline - waarheid kan controleren. Op LinkedIn weerhoudt niets ons ervan ons profiel in te leiden met een wervende beschrijving van onze geweldige professionele persoonlijkheid, en die middelmatige baan op te leuken met indrukwekkende competenties, verantwoordelijkheden en resultaten. Op Facebook berichten we alleen over te gekke avonden met massa’s vrienden, niet over minder interessante momenten. En ook het leven van de gemiddelde twitteraar wordt gekenmerkt door #druk, #fijn en #spannend. Zelfstandig ondernemers halen aan één stuk door nieuwe opdrachten binnen, saaie werkdagen bestaan niet, net zo min als strubbelingen in het gezin, en o o o wat hebben we toch een bruisend sociaal leven. Het doet mij bij tijd en wijle wel eens twijfelen aan mezelf. Mijn werkdagen zijn niet altijd even interessant. Mijn kinderen zijn zeker niet altijd even engelachtig. En ook mijn sociale leven kent zijn ups en downs.
Laatst sprak ik – jawel, in levende lijve - een oud-collega die vrijwel dagelijks enthousiast twittert over zijn net opgerichte eigen bedrijf. Toen ik hem complimenteerde met zijn goede resultaten, zei hij: “Nou ja, ik zet natuurlijk alleen de successen op twitter. Niet al die afwijzingen die ik krijg en de lange dagen die ik maak voor een nog schamel inkomen.” Misschien niet aardig, maar ik was even opgelucht. Je zou bijna vergeten dat ook onze online vrienden gewoon mensen van vlees en bloed zijn die het, net als ons, onmogelijk voortdurend voor de wind kan gaan. En deed me weer eens beseffen hoe belangrijk het is om regelmatig een offline kop koffie met mijn twitter- en LinkedIn vrienden te drinken – om te horen hoe het nu écht met ze gaat.
Deze column schreef ik als ghostwriter voor vakblad Kwaliteit in Bedrijf. De ik-vormen verwijzen naar degene onder wiens naam de column is gepubliceerd.
vrijdag 15 juni 2012
Kon ik maar eens buiten de lijntjes kleuren
Kon ik maar eens buiten de lijntjes kleuren
Kon ik maar eens denken: je kan me wat
Of nog beter, kon ik maar eens helemaal niet denken
Zodat ik ook eens gewoon iets vergat.
Kon ik maar eens niet doen wat me gevraagd wordt
Want dan ben je echt niet gelijk de sigaar
Dagelijks zie ik daar het bewijs van
Ik sta erbij, en ik kijk ernaar.
Kon ik maar eens beloftes negeren
Me niets aantrekken van wat een ander denkt of zegt
Kon ik me maar eens gewoon terugtrekken in mijn eigen wereld
En doen alsof ik aan mezelf het meeste ben gehecht.
Kon ik maar eens mailtjes wekenlang laten liggen
Mijn eigen plan trekken, privé en op mijn werk
Daarbij overtuigd zijn van mijn eigen gelijk
Maar daarin ben ik helaas niet sterk.
Daarom doe ik wat iemand me vraagt, of ik het er nu mee eens ben of niet
Kleur ik binnen de lijntjes, altijd en overal
Maak ik me druk om de mening van de ander
En zorg ik altijd dat ik niet val.
Hoe komt dit over? Wat zou ze denken? Denk ik, voordat ik een mailtje stuur
En ook al heb ik geen zin om te antwoorden
Ik doe het toch, denkend ‘moeite is niet duur’.
Mijn eigen leven leven, het is soms zo moeilijk
Mijn leidraad is wat ik denk dat men verwacht
Kon ik dat maar eens één keer loslaten
En zien wat voor moois er dan op me wacht.
Vrijheid, rust, mezelf accepteren.
Mijn eigen keuzes, maar dan écht.
Kon ik maar eens buiten de lijntje kleuren
En als nieuw persoon het leven binnen stappen: hoofd omhoog, rug kaarsrecht.
Kon ik maar eens denken: je kan me wat
Of nog beter, kon ik maar eens helemaal niet denken
Zodat ik ook eens gewoon iets vergat.
Kon ik maar eens niet doen wat me gevraagd wordt
Want dan ben je echt niet gelijk de sigaar
Dagelijks zie ik daar het bewijs van
Ik sta erbij, en ik kijk ernaar.
Kon ik maar eens beloftes negeren
Me niets aantrekken van wat een ander denkt of zegt
Kon ik me maar eens gewoon terugtrekken in mijn eigen wereld
En doen alsof ik aan mezelf het meeste ben gehecht.
Kon ik maar eens mailtjes wekenlang laten liggen
Mijn eigen plan trekken, privé en op mijn werk
Daarbij overtuigd zijn van mijn eigen gelijk
Maar daarin ben ik helaas niet sterk.
Daarom doe ik wat iemand me vraagt, of ik het er nu mee eens ben of niet
Kleur ik binnen de lijntjes, altijd en overal
Maak ik me druk om de mening van de ander
En zorg ik altijd dat ik niet val.
Hoe komt dit over? Wat zou ze denken? Denk ik, voordat ik een mailtje stuur
En ook al heb ik geen zin om te antwoorden
Ik doe het toch, denkend ‘moeite is niet duur’.
Mijn eigen leven leven, het is soms zo moeilijk
Mijn leidraad is wat ik denk dat men verwacht
Kon ik dat maar eens één keer loslaten
En zien wat voor moois er dan op me wacht.
Vrijheid, rust, mezelf accepteren.
Mijn eigen keuzes, maar dan écht.
Kon ik maar eens buiten de lijntje kleuren
En als nieuw persoon het leven binnen stappen: hoofd omhoog, rug kaarsrecht.
Abonneren op:
Posts (Atom)