Mijn leidinggevende in een van mijn eerste serieuze banen barstte van de gevleugelde uitspraken. Meestal zaten ze in de categorie ‘Seks, seks, seks, dat is het enige waar ik aan denk’ (en toch was hij echt een goede chef). Hoewel deze uitspraak mij altijd is bijgebleven, heb ik toch nooit de neiging gehad deze uitspraak zelf op te voeren op momenten dat ik aan een non-discussie een einde wenste te breien, zoals hij pleegde te doen met betreffende uitspraak. Waar ik mij wel regelmatig van bedien, is zijn quote ‘Aan een opgeruimd bureau wordt niet hard gewerkt’. Want, zoals duidelijk moge zijn: van alle niet-opgeruimde bureaus die ik ken, was die van hem veruit de ergste. Stapels raadsstukken, epidemiologische rapporten, stapels lege bekertjes met sporen van de espresso Extra Sterk die hij de ganse dag nuttigde (‘ik zie waarschijnlijk wat meer kleuren dan jij’), post-it-jes, kranten en tijdschriften speelden verstoppertje te midden van de bibelebontse berg van puin die hij rondom zijn computer wist te vergaren.
En toch deed hij uitstekend zijn werk. En toch wist hij altijd te vinden wat hij zocht. Soms enige maanden later, maar goed, hij vond het.
Ik denk nog regelmatig met sympathieke gevoelens aan hem terug op het moment dat het woord ‘clean desk policy’ voorbij komt. Want waar er voor de schoonmaakpolitie in het overgrote deel van mijn huis weinig eer te behalen valt, geldt dat niet voor mijn bureaus (thuis en op het werk). Waar opruimen mij in woonkamer en keuken uitstekend afgaat, de afwas iedere avond braaf wordt gedaan en de was zich zelden opstapelt tot buiten de wasmand, slaag ik er niet in om diezelfde netheid door te trekken tot mijn werkplekken.
Mijn thuisbureau is een mengsel van filosofieboeken, aantekenblokken voor interviews, de laatste Allerhande en het bedrijfsplan van de organisatie waar ik recentelijk op bezoek was.
Op mijn vaste werk is het zo mogelijk nog erger, in ieder geval in de ogen van mijn collega annex kamergenoot annex verpersoonlijking van de clean desk policy. Want ongelooflijk maar waar: iedere avond als zij naar huis gaat, ligt er nog geen papiertje op haar bureau. Alles is op miraculeuze wijze weggeborgen in ordners, laden en to do bakjes. Terwijl ik aan het einde van mijn werkdag alle papieren op 1 hoop schuif, in een poging het nog ergens op te laten lijken, schrik ik bij haar al als er onverhoopt een vakblad achter is gebleven op haar cleane desk. Af en toe vraagt ze mij al dan niet subtiel of ik toch niet eens iets wil doen aan ‘die enorme stapels’ op mijn bureau; de uitstraling van het pand zou er wel bij varen.
En voor iedere vakantie doorzoek ik daarom braaf de door haar zo gehate stapels, om inderdaad te concluderen dat het merendeel van de papieren inderdaad al lang en breed over de houdbaarheidsdatum heen is, en kieper ik grote hoeveelheden dode bomen in de oud papier bak. Aan een voor mijn doen schoon bureau begin ik iedere eerste werkdag na elke vakantie, mij serieus voornemend het nu echt eens zo te houden. Maar na een week, als de vakbladen, vacatures, printjes van interessante nog te lezen artikelen, post-it-jes en wat dies meer zij mij weer in groten getale hebben bereikt, moet ik steevast concluderen dat een schoon bureau gewoon niet in mijn genen zit.
Ik heb geen zin om meteen te moeten beslissen wat ik met een brief of magazine doe, om meteen te beslissen over de nuttigheid en noodzaak ervan, om iedere avond op te ruimen, om een steriele orde om mij heen te creëren. Ik vaar uitstekend bij enige chaos. En daarom citeer ik met graagte mijn ex-chefs opmerking over die lege bureaus waaraan onmogelijk hard gewerkt kan worden.
Helaas ben ik nog nooit iemand tegengekomen die het met mij (en dus indirect met hem) eens was te zijn. En krijg ik doorgaans iets in de trant van opgeruimde geest aan een opgeruimd bureau naar mijn warrige hoofd geslingerd. Ik denk niet dat ik die strijd ooit zal winnen. Dus ruim ik braaf eens in de zoveel tijd op, met weemoed terugdenkend aan mijn chaotische chef met dito bureau, op die werkplek waar ‘opruimen’ geen deel uitmaakte van het vocabulaire.
Een werkneemster weet soms pas wat zij mist, als het er niet meer is.
woensdag 9 maart 2011
vrijdag 18 februari 2011
De vergeten vorm van klantvriendelijkheid
Als er een eigenschap is die bedrijven zich over het algemeen graag toe-eigenen, is het wel klantgerichtheid slash klantvriendelijkheid. Op websites en brochures wordt deze eigenschap vol vuur aangeprezen, in vacatures staat hij steevast in het rijtje ‘eisen’. Hoewel het natuurlijk net zo vanzelfsprekend is dat een commercieel bedrijf klantgericht is als dat, laten we zeggen, een boekhandel boeken verkoopt, moet het toch altijd nog even onder de aandacht worden gebracht dat bij bedrijf X de klanten toch echt op de eerste plaats komen.
In alle investeringen die bedrijven doen om het publiek ervan te overtuigen hoe klantvriendelijk ze zijn, zien vele organisaties echter een belangrijke factor over het hoofd. Namelijk: de telefoniste/receptioniste. Want de keren dat ik in mijn eerste kennismaking met een bedrijf een vriendelijk klinkende dame (zelden een heer) aan de telefoon kreeg, zijn op 1 hand te tellen. Over het algemeen wordt de bedrijfsnaam op snauwerige toon uit de keel geperst, niet gechaperonneerd door enig ‘goedemorgen’ dan wel –middag. Op mijn vraag of meneer zus of mevrouw zo aanwezig is, volgt meestal een zuchtend en bijzonder ongeïnteresseerd uitgesproken ‘momentje’, en in dezelfde seconde al de piep van de doorverbinding.
Natuurlijk, mijn uiteindelijke doel is om meneer zus dan wel mevrouw zo aan de telefoon te krijgen, en hoe dat gebeurt, doet feitelijk niet ter zake. En nee, ook mij lijkt het geen feest om mijn dagen te vullen met het beantwoorden van een telefoon in een oude, tochtige receptie, en het doorverbinden naar hoge heren en dames in comfortabele kantoren-met-uitzicht. Blijkbaar is er ook niemand die zich om deze dames bekommert, in ieder geval niet in de vorm van een functioneringsgesprek. Want dan zou menig directeur zich toch wel eens flink achter de oren moeten gaan krabben. In het streven naar klantvriendelijkheid, lijkt mij het eerste contactmoment van de onschuldige beller met de betreffende organisatie toch van wezenlijk belang. Imagovorming gebeurt ver weg in de onderbewuste lagen van het brein, en een botterik aan de telefoon doet, bewust of onderbewust, weinig goeds voor het imago dat de beller zich vormt van het betreffende bedrijf.
Het kan zo anders! Een vrolijk ‘goedemorgen’, een vriendelijk ‘ ik ga u doorverbinden, momentje’, dit alles vergezeld van een hoorbare glimlach. Het vergt wellicht een cursusje ‘klantvriendelijkheid’, en iets meer aandacht van het management voor die tochtige receptie in plaats van onmiddellijk door te stomen naar het eigen comfortabele kantoor. Maar het maakt de bel-ervaring met de organisatie zoveel prettiger. En de geloofwaardigheid van klantvriendelijkheid als kernwaarde van de organisatie, een stuk groter.
In alle investeringen die bedrijven doen om het publiek ervan te overtuigen hoe klantvriendelijk ze zijn, zien vele organisaties echter een belangrijke factor over het hoofd. Namelijk: de telefoniste/receptioniste. Want de keren dat ik in mijn eerste kennismaking met een bedrijf een vriendelijk klinkende dame (zelden een heer) aan de telefoon kreeg, zijn op 1 hand te tellen. Over het algemeen wordt de bedrijfsnaam op snauwerige toon uit de keel geperst, niet gechaperonneerd door enig ‘goedemorgen’ dan wel –middag. Op mijn vraag of meneer zus of mevrouw zo aanwezig is, volgt meestal een zuchtend en bijzonder ongeïnteresseerd uitgesproken ‘momentje’, en in dezelfde seconde al de piep van de doorverbinding.
Natuurlijk, mijn uiteindelijke doel is om meneer zus dan wel mevrouw zo aan de telefoon te krijgen, en hoe dat gebeurt, doet feitelijk niet ter zake. En nee, ook mij lijkt het geen feest om mijn dagen te vullen met het beantwoorden van een telefoon in een oude, tochtige receptie, en het doorverbinden naar hoge heren en dames in comfortabele kantoren-met-uitzicht. Blijkbaar is er ook niemand die zich om deze dames bekommert, in ieder geval niet in de vorm van een functioneringsgesprek. Want dan zou menig directeur zich toch wel eens flink achter de oren moeten gaan krabben. In het streven naar klantvriendelijkheid, lijkt mij het eerste contactmoment van de onschuldige beller met de betreffende organisatie toch van wezenlijk belang. Imagovorming gebeurt ver weg in de onderbewuste lagen van het brein, en een botterik aan de telefoon doet, bewust of onderbewust, weinig goeds voor het imago dat de beller zich vormt van het betreffende bedrijf.
Het kan zo anders! Een vrolijk ‘goedemorgen’, een vriendelijk ‘ ik ga u doorverbinden, momentje’, dit alles vergezeld van een hoorbare glimlach. Het vergt wellicht een cursusje ‘klantvriendelijkheid’, en iets meer aandacht van het management voor die tochtige receptie in plaats van onmiddellijk door te stomen naar het eigen comfortabele kantoor. Maar het maakt de bel-ervaring met de organisatie zoveel prettiger. En de geloofwaardigheid van klantvriendelijkheid als kernwaarde van de organisatie, een stuk groter.
woensdag 16 februari 2011
Waar rook is, is vuur
Er zijn van die dingen waardoor je je realiseert dat je onomkeerbaar in een fase van je leven bent beland, zonder dat je er geestelijk al aan toe was, en zonder dat je het doorhad. Dat 18-jarige meisje in de Backpacker’s in Christchurch bijvoorbeeld, dat met een Working Holiday visum Australië en Nieuw-Zeeland rondreisde, en heel belangstellend aan mij vroeg: ‘En hoe lang bent u al in Christchurch?’. U. Slik. Dat kleine kinderen mij als oud mens zien, daar was ik inmiddels aan gewend geraakt, en kan ik (noodgedwongen) mee leven. Maar dat een 18-jarige mij zonder met haar ogen te knipperen beschouwt als iemand waar ze toch echt wel ‘u’ tegen moet zeggen….dat was een stap te ver voor mijn prille dertigersziel.
Alcohol is ook zoiets. Of beter gezegd: geen-alcohol drinken. Dat kan niet meer ongestraft, tenzij de auto de betreffende avond mijn vervoermiddel is. Drink ik geen alcohol bij een gelegenheid in mijn eigen woonplaats, dus waar ik met de fiets naar toe ben gekomen, dan vallen mij steevast verwachtingsvolle gezichten ten deel, stiekeme blikken naar mijn buik, en de op zo onschuldig mogelijke wijze uitgesproken opmerking: ‘He Suzanne, waarom drink jij niet?’ Want als een getrouwde vrouw van begin dertig (ok backpacker, je had gelijk, dit klinkt stokoud) geen alcohol drinkt, weten we wel hoe laat het is: die is zwanger. Dat kan niet anders. Waarom zou ze anders niet drinken, terwijl ze dat normaal gesproken wel doet?
Van een aangename, gezellige en ontspannende consumptie is dat glas wijn voor mij verworden tot een beladen drank. En avonden waarop ik niet drink, tot beladen evenementen. Als een van de weinige niet-mama's in mijn vriendinnenkring zijn de verwachtingen zo hoog gespannen aangaande het moment waarop ik ook toetreedt tot het moedergenootschap, dat in zijn algemeenheid geldt: waar rook is, is vuur. En waar geen wijn wordt gedronken, is een zwangerschap.
Laatst gingen we in mijn woonplaats uit eten met een clubje vrienden. Aangezien het merendeel inmiddels kinderen heeft, behoor ik tot de top twee van alcoholconsumenten binnen dit groepje. Nu wilde het dat ik die avond ervoor meer wijn had geconsumeerd dan goed voor me was, en ik kampte met een kater. ‘Getver, ik heb echt geen zin om te drinken vanavond’, steunde ik tegen E. ‘Nou, dan neem je toch fris’, sprak deze met die logische nuchterheid waarin hij zo wezenlijk verschilt van mij – en een van de redenen waarom onze relatie zo goed werkt. Dit terzijde. ‘Ja maar je weet toch dat ze dan gaan denken dat ik zwanger ben?’ ‘Nou, dan is het juist slim om af en toe niet te drinken. Als je dan een keer zwanger bent, denken ze het dan misschien niet meteen.’ Zoals zo vaak, was daar weer niets tegenin te brengen. Dus bestelde ik met een stalen gezicht een vruchtensapje, samen met de bobben en borstvoedinggevenden. Maar wat was mijn excuus? ‘Ja, wat is jouw excuus eigenlijk Suus, wat is dat met die fris?’ ‘Ik heb een kater’, stamelde ik, en ik hoorde hoe weinig overtuigend het klonk. Op de fietstocht terug, uit het zicht van de rest, riep vriend F: ‘Nu kun je het wel zeggen, je bent zwanger, toch?’ Zie je nou wel, blikte ik tegen E. Die terecht zijn schouders ophaalde.
Afgelopen week was het weer zo ver. Geen kater, maar een antibioticakuur die mij een week lang verbood om alcohol te consumeren. En precies die week stond een kroegavond met twee vrienden plus een etentje met mijn ouders gepland. Ik betrapte mezelf erop af en toe extra hard te hoesten na een slok van mijn cola, om vrienden en ouders ervan te overtuigen dat ik echt een luchtweginfectie had, en dat er van zwangerschap geen sprake was. Want daar waren die blikken weer, van de ouders subtieler dan van de vrienden, die luidkeels ‘ben je zwanger’ door de kroeg brulden.
De sociale druk rond alcohol heeft zonder dat ik het door heb gehad, een significante shift ondergaan. Van de fase dat geen alcohol drinken saai dan wel niet stoer was, ben ik ineens beland in de levensfase dat het verdacht is als ik niet drink. Een ding hebben beide fases daarmee gemeen: drank heeft meer voeten in de aarde dan mij lief heeft. Ik neem er nog maar eentje.
Alcohol is ook zoiets. Of beter gezegd: geen-alcohol drinken. Dat kan niet meer ongestraft, tenzij de auto de betreffende avond mijn vervoermiddel is. Drink ik geen alcohol bij een gelegenheid in mijn eigen woonplaats, dus waar ik met de fiets naar toe ben gekomen, dan vallen mij steevast verwachtingsvolle gezichten ten deel, stiekeme blikken naar mijn buik, en de op zo onschuldig mogelijke wijze uitgesproken opmerking: ‘He Suzanne, waarom drink jij niet?’ Want als een getrouwde vrouw van begin dertig (ok backpacker, je had gelijk, dit klinkt stokoud) geen alcohol drinkt, weten we wel hoe laat het is: die is zwanger. Dat kan niet anders. Waarom zou ze anders niet drinken, terwijl ze dat normaal gesproken wel doet?
Van een aangename, gezellige en ontspannende consumptie is dat glas wijn voor mij verworden tot een beladen drank. En avonden waarop ik niet drink, tot beladen evenementen. Als een van de weinige niet-mama's in mijn vriendinnenkring zijn de verwachtingen zo hoog gespannen aangaande het moment waarop ik ook toetreedt tot het moedergenootschap, dat in zijn algemeenheid geldt: waar rook is, is vuur. En waar geen wijn wordt gedronken, is een zwangerschap.
Laatst gingen we in mijn woonplaats uit eten met een clubje vrienden. Aangezien het merendeel inmiddels kinderen heeft, behoor ik tot de top twee van alcoholconsumenten binnen dit groepje. Nu wilde het dat ik die avond ervoor meer wijn had geconsumeerd dan goed voor me was, en ik kampte met een kater. ‘Getver, ik heb echt geen zin om te drinken vanavond’, steunde ik tegen E. ‘Nou, dan neem je toch fris’, sprak deze met die logische nuchterheid waarin hij zo wezenlijk verschilt van mij – en een van de redenen waarom onze relatie zo goed werkt. Dit terzijde. ‘Ja maar je weet toch dat ze dan gaan denken dat ik zwanger ben?’ ‘Nou, dan is het juist slim om af en toe niet te drinken. Als je dan een keer zwanger bent, denken ze het dan misschien niet meteen.’ Zoals zo vaak, was daar weer niets tegenin te brengen. Dus bestelde ik met een stalen gezicht een vruchtensapje, samen met de bobben en borstvoedinggevenden. Maar wat was mijn excuus? ‘Ja, wat is jouw excuus eigenlijk Suus, wat is dat met die fris?’ ‘Ik heb een kater’, stamelde ik, en ik hoorde hoe weinig overtuigend het klonk. Op de fietstocht terug, uit het zicht van de rest, riep vriend F: ‘Nu kun je het wel zeggen, je bent zwanger, toch?’ Zie je nou wel, blikte ik tegen E. Die terecht zijn schouders ophaalde.
Afgelopen week was het weer zo ver. Geen kater, maar een antibioticakuur die mij een week lang verbood om alcohol te consumeren. En precies die week stond een kroegavond met twee vrienden plus een etentje met mijn ouders gepland. Ik betrapte mezelf erop af en toe extra hard te hoesten na een slok van mijn cola, om vrienden en ouders ervan te overtuigen dat ik echt een luchtweginfectie had, en dat er van zwangerschap geen sprake was. Want daar waren die blikken weer, van de ouders subtieler dan van de vrienden, die luidkeels ‘ben je zwanger’ door de kroeg brulden.
De sociale druk rond alcohol heeft zonder dat ik het door heb gehad, een significante shift ondergaan. Van de fase dat geen alcohol drinken saai dan wel niet stoer was, ben ik ineens beland in de levensfase dat het verdacht is als ik niet drink. Een ding hebben beide fases daarmee gemeen: drank heeft meer voeten in de aarde dan mij lief heeft. Ik neem er nog maar eentje.
zondag 21 november 2010
De man van nu is een verwende prins
Door Suzanne van den Eynden, gepubliceerd in nrc next van maandag 22 november 2010
Tijdens een bezoekje aan een bevriend stel en hun zoontje kwam het gesprek op kinderopvang, en de bijbehorende wachtlijsten. Want die waren niet mis, aldus de jonge vader: zonder hulp van (schoon)ouders en vakantiedagen was het nooit gelukt om het eerste jaar werkend door te brengen. Daarna was gelukkig die felbegeerde vierde dag op de crèche beschikbaar gekomen om hun spruit te droppen, en waren ze van het geregel en gesleep af. Tijdelijk dan: een tweede telg werd verwacht. ‘Nu begint het gedoe weer opnieuw’, verzuchtte de vader in kwestie theatraal.
Of het een optie was dat hij zelf een dag minder ging werken, om het opvangcircus te vereenvoudigen, vroeg ik hem toen. Als door een adder gebeten keek hij me aan. Wat had ik nu voor iets onzaligs voorgesteld? Vier dagen werken, dat was onmogelijk. Dat zag hij wel aan zijn vrouw, die zich regelmatig in allerlei bochten wrong om haar werk in vier dagen af te krijgen. Een dag minder werken: hij peinsde er niet over.
Het werkende leven van moeders is de afgelopen jaren een dankbaar onderwerp van discussie geworden. De fulltime werkende moeder werkt teveel, de parttime werkende te weinig, om over de niet-werkende moeder maar helemaal niet te spreken. Oordelen, varierend van ‘verwend’ tot ‘ontaard’, zijn daarbij niet van de lucht. Ook Elma Drayer trekt in haar boek ‘Verwende prinsesjes’ fel van leer tegen de in haar ogen verwende Nederlandse vrouwen die slechts op maandag, dinsdag en donderdag werken (de ‘ma-di-do-vrouw’), de rest van de week shoppend, koffiedrinkend en zorgend voor de kinderen doorbrengen, en daar nog trots op zijn ook. Fulltime professionele kinderopvang is volgens hen niet goed genoeg, ze leunen - hoe ongeëmancipeerd - economisch gezien op hun partner, en willen nog vrije tijd ook. Terwijl het huishouden tegenwoordig niets meer voorstelt, en zodra een kind de kleuterleeftijd heeft bereikt ‘de lege uren zich aaneen rijgen’, waardoor volgens Drayer van tijdgebrek geen sprake kan zijn. Werken zullen ze dus, en wel fulltime!
Waar we over het werkende leven van moeders niet uitgepraat lijken te raken, blijft de werkweek van vaders merkwaardig genoeg meestal echter onbesproken. Terwijl ik in mijn omgeving toch beduidend meer verwende prinsen ontwaar, dan prinsessen.
Neem de eerder genoemde kennis, die steen en been klaagt over het tekort in de kinderopvang, terwijl geen haar op zijn hoofd eraan denkt om zelf een dag voor zijn nageslacht te zorgen.
Een goede vriend van me werkt weliswaar vier dagen sinds hij vader is, maar is zijn ‘papadag’ inmiddels zat. Hij wil op zijn vrije dag ook écht vrij zijn, om leuke dingen te kunnen doen. Koffiedrinken, bijvoorbeeld.
Daarnaast zie ik vaders van zeer jonge kinderen veeleisende studies beginnen, toetreden tot besturen van sportverenigingen, en er het uitgaanspatroon van een vrijgezel op na houden. Met als gevolg dat het constant hun vrouwen zijn die afspraken afzeggen, goochelen met hun agenda’s, en inderdaad minder werken. Want de meeste moeders én vaders zijn van mening dat zij geen kinderen hebben gekregen om deze vijf dagen per week door een crèche te laten opvoeden.
De madiwodovrij-man wil het allemaal: een kind, een bloeiende fulltime carrière, vooral geen gedoe met zijn baas over een dag minder werken, en een bruisend sociaal leven. Hij gaat er gemakzuchtig van uit dat zijn vrouw, vaak met een minstens zo zware baan als hij zelf, wel minder gaat werken en op zaterdagavond thuisblijft voor de kinderen. Zo hoeft hij tenminste geen concessies te doen, zich aan te passen of zijn ontwikkeling tijdelijk op een lager pitje te zetten. Over verwend gesproken!
Prinsen en prinsessen hebben allemaal hun wensen, ambities en idealen, en maken beide (vaak met elkaar) keuzes die voor de buitenwereld niet altijd te begrijpen zijn. Toch zijn het steevast de moeders die onder vuur liggen vanwege de manier waarop ze hun (werk)week hebben ingedeeld. Het lijkt mij daarom wel zo eerlijk om ook eens een boekje open te doen over werkende vaders. Voor de door onder meer Elma Drayer gewenste emancipatie en gelijke behandeling zou dit een stap in de goede richting zijn.
Tijdens een bezoekje aan een bevriend stel en hun zoontje kwam het gesprek op kinderopvang, en de bijbehorende wachtlijsten. Want die waren niet mis, aldus de jonge vader: zonder hulp van (schoon)ouders en vakantiedagen was het nooit gelukt om het eerste jaar werkend door te brengen. Daarna was gelukkig die felbegeerde vierde dag op de crèche beschikbaar gekomen om hun spruit te droppen, en waren ze van het geregel en gesleep af. Tijdelijk dan: een tweede telg werd verwacht. ‘Nu begint het gedoe weer opnieuw’, verzuchtte de vader in kwestie theatraal.
Of het een optie was dat hij zelf een dag minder ging werken, om het opvangcircus te vereenvoudigen, vroeg ik hem toen. Als door een adder gebeten keek hij me aan. Wat had ik nu voor iets onzaligs voorgesteld? Vier dagen werken, dat was onmogelijk. Dat zag hij wel aan zijn vrouw, die zich regelmatig in allerlei bochten wrong om haar werk in vier dagen af te krijgen. Een dag minder werken: hij peinsde er niet over.
Het werkende leven van moeders is de afgelopen jaren een dankbaar onderwerp van discussie geworden. De fulltime werkende moeder werkt teveel, de parttime werkende te weinig, om over de niet-werkende moeder maar helemaal niet te spreken. Oordelen, varierend van ‘verwend’ tot ‘ontaard’, zijn daarbij niet van de lucht. Ook Elma Drayer trekt in haar boek ‘Verwende prinsesjes’ fel van leer tegen de in haar ogen verwende Nederlandse vrouwen die slechts op maandag, dinsdag en donderdag werken (de ‘ma-di-do-vrouw’), de rest van de week shoppend, koffiedrinkend en zorgend voor de kinderen doorbrengen, en daar nog trots op zijn ook. Fulltime professionele kinderopvang is volgens hen niet goed genoeg, ze leunen - hoe ongeëmancipeerd - economisch gezien op hun partner, en willen nog vrije tijd ook. Terwijl het huishouden tegenwoordig niets meer voorstelt, en zodra een kind de kleuterleeftijd heeft bereikt ‘de lege uren zich aaneen rijgen’, waardoor volgens Drayer van tijdgebrek geen sprake kan zijn. Werken zullen ze dus, en wel fulltime!
Waar we over het werkende leven van moeders niet uitgepraat lijken te raken, blijft de werkweek van vaders merkwaardig genoeg meestal echter onbesproken. Terwijl ik in mijn omgeving toch beduidend meer verwende prinsen ontwaar, dan prinsessen.
Neem de eerder genoemde kennis, die steen en been klaagt over het tekort in de kinderopvang, terwijl geen haar op zijn hoofd eraan denkt om zelf een dag voor zijn nageslacht te zorgen.
Een goede vriend van me werkt weliswaar vier dagen sinds hij vader is, maar is zijn ‘papadag’ inmiddels zat. Hij wil op zijn vrije dag ook écht vrij zijn, om leuke dingen te kunnen doen. Koffiedrinken, bijvoorbeeld.
Daarnaast zie ik vaders van zeer jonge kinderen veeleisende studies beginnen, toetreden tot besturen van sportverenigingen, en er het uitgaanspatroon van een vrijgezel op na houden. Met als gevolg dat het constant hun vrouwen zijn die afspraken afzeggen, goochelen met hun agenda’s, en inderdaad minder werken. Want de meeste moeders én vaders zijn van mening dat zij geen kinderen hebben gekregen om deze vijf dagen per week door een crèche te laten opvoeden.
De madiwodovrij-man wil het allemaal: een kind, een bloeiende fulltime carrière, vooral geen gedoe met zijn baas over een dag minder werken, en een bruisend sociaal leven. Hij gaat er gemakzuchtig van uit dat zijn vrouw, vaak met een minstens zo zware baan als hij zelf, wel minder gaat werken en op zaterdagavond thuisblijft voor de kinderen. Zo hoeft hij tenminste geen concessies te doen, zich aan te passen of zijn ontwikkeling tijdelijk op een lager pitje te zetten. Over verwend gesproken!
Prinsen en prinsessen hebben allemaal hun wensen, ambities en idealen, en maken beide (vaak met elkaar) keuzes die voor de buitenwereld niet altijd te begrijpen zijn. Toch zijn het steevast de moeders die onder vuur liggen vanwege de manier waarop ze hun (werk)week hebben ingedeeld. Het lijkt mij daarom wel zo eerlijk om ook eens een boekje open te doen over werkende vaders. Voor de door onder meer Elma Drayer gewenste emancipatie en gelijke behandeling zou dit een stap in de goede richting zijn.
woensdag 10 november 2010
Hadden ze maar niet zoveel moeten verwachten van hun relatie
Toen mijn goede vriendin ontdekte dat haar echtgenoot er al drie jaar een relatie met haar beste vriendin op na bleek te houden, was zij maar al te blij dat zij begin jaren ’00 deze ontdekking deed. Zij was economisch zelfstandig, niet geketend aan morele plichten vanuit een levensbeschouwelijke zuil, en de wetgeving was zodanig dat binnen afzienbare tijd de scheiding tussen haar en haar man kon worden uitgesproken. Dankzij haar zelfstandigheid kon zij bovendien met haar twee kinderen in hun eigen huis blijven wonen. Deze omstandigheden maakten voor haar de zware, pijnlijke, maar onvermijdelijke beslissing om bij haar man weg te gaan, praktisch gezien iets minder problematisch.
Echtscheidingen zijn vandaag de dag meer regel dan uitzondering, zo wijzen recente cijfers van het CBS uit. In zijn artikel ‘Weg met het romantisch ideaal’ (De Volkskrant, Opinie en Debat, zaterdag 30 oktober) onderzoekt psycholoog Huub Buijssen de oorzaak van het feit dat vandaag de dag steeds meer huwelijken ontbonden worden. Zijn conclusie: als verwende kinderen van de moderne tijd gaan wij ervan uit dat we op de wereld zijn om gelukkig te worden, en zoeken we dit geluk, naïef als we zijn, in de romantische relatie. Gevolg: we stappen met onrealistische idealen het huwelijk in, komen er na enkele jaren achter dat er ‘geen chemie’ meer is, en zien vervolgens geen andere mogelijkheid dan een punt achter onze relatie te zetten. Waar het huwelijk vroeger voor altijd was, het nu een besluit is waar op teruggekomen kan worden als het niet het verwachte geluk brengt.
Godzijdank.
Want als mijn vriendin in de tijd had geleefd waar ik Buijssen van verdenk dat hij ons graag naar zou willen laten terugkeren - de tijd van liefdeloze huwelijken zonder quality time, die simpelweg nodig waren om te overleven - was zij nog steeds getrouwd geweest met haar overspelige echtgenoot, met alle ellende van dien. En partners die elkaar, om welke reden dan ook, volkomen ongelukkig maken, zouden dan tegen wil en dank samen blijven.
Zelf voor iemand die meent dat streven naar geluk binnen een relatie een naïeve houding is van naoorlogse generaties, kan dit toch allerminst een wenselijk vooruitzicht zijn.
Het huwelijk was vroeger voor altijd, stelt Buijssen – jazeker, omdat men destijds geen andere keuze had, op straffe van armoede of sociale uitsluiting. De kwantiteit van het grotere aantal huwelijken dat destijds in stand bleef, zegt immers niets over de kwaliteit van die relaties.
Desondanks schrijft Buijssen ons voor dat we ons neer dienen te leggen bij de keuze die we ooit hebben gemaakt - verandering van gedrag, ideeën, wensen en omstandigheden bij onszelf of bij de ander ten spijt - en ons maar moeten realiseren ieder huwelijk nu eenmaal moeilijke periodes kent.
Hadden we maar minder moeten verwachten van die duurzame relatie.
Dat een huwelijk hard werken is, ups en downs kent, chemie niet eeuwig durend is en sleur immer op de loer ligt, neem ik meteen aan. Maar het gros van de echtscheidingen onder de oorzaakscategorie ‘gebrek aan chemie’ wegzetten, zoals Buijssen doet, getuigt mijns inziens van een groot onbegrip voor en zelfs arrogantie ten opzichte van mensen die het in de relationele sfeer minder goed getroffen hebben. Niet alleen impliceert hij dat de beslissing tot echtscheiding vandaag de dag ‘gemakkelijk’ wordt genomen; ongelukkige huwelijken zijn volgens hem bovendien een kwestie van ‘eigen schuld’, en iets waar de betrokkenen maar mee moeten leren leven.
Maar ik hoef maar even te kijken naar mijn goede vriend wiens huwelijk allang niets meer voorstelt, maar die bij zijn vrouw blijft vanwege de kinderen, om te weten dat een dergelijke situatie mogelijk nog meer narigheid met zich meebrengt. In ieder geval voor een langere periode. En naar mijn vriendin die zich na acht jaar nog steeds schuldig voelt over het verdriet dat haar scheiding haar kinderen heeft aangedaan, om te weten dat scheiden niet ‘zomaar’ wordt gedaan.
Zelf ben ik ruim een jaar geleden getrouwd, om een reden die Buijssen ‘luxe’ noemt: vanwege de liefde die ik voel voor mijn man, en het romantische idee dat een leven met mijn man mij gelukkiger maakt dan een leven zonder hem.
En ik hoop ten zeerste dat het ons gegeven is ons aan onze belofte om voor de rest van ons leven bij elkaar te blijven, te kunnen houden.
Maar mocht er onverhoopt een tijd komen waarop dit voor ons niet meer mogelijk is, dan staat een ding als een paal boven water: namelijk dat aan deze beslissing een zeer veel ernstigere oorzaak ten grondslag zal liggen dan dagelijkse kleine irritiaties, sleur of momenten van onbegrip. Want zoals het overgrote deel van de getrouwden, ben ik niet aan een huwelijk met mijn grote liefde begonnen om dit door een niet opgedraaid tandpastadopje, of welke andere futiliteit dan ook, te laten verbreken.
Echtscheidingen zijn vandaag de dag meer regel dan uitzondering, zo wijzen recente cijfers van het CBS uit. In zijn artikel ‘Weg met het romantisch ideaal’ (De Volkskrant, Opinie en Debat, zaterdag 30 oktober) onderzoekt psycholoog Huub Buijssen de oorzaak van het feit dat vandaag de dag steeds meer huwelijken ontbonden worden. Zijn conclusie: als verwende kinderen van de moderne tijd gaan wij ervan uit dat we op de wereld zijn om gelukkig te worden, en zoeken we dit geluk, naïef als we zijn, in de romantische relatie. Gevolg: we stappen met onrealistische idealen het huwelijk in, komen er na enkele jaren achter dat er ‘geen chemie’ meer is, en zien vervolgens geen andere mogelijkheid dan een punt achter onze relatie te zetten. Waar het huwelijk vroeger voor altijd was, het nu een besluit is waar op teruggekomen kan worden als het niet het verwachte geluk brengt.
Godzijdank.
Want als mijn vriendin in de tijd had geleefd waar ik Buijssen van verdenk dat hij ons graag naar zou willen laten terugkeren - de tijd van liefdeloze huwelijken zonder quality time, die simpelweg nodig waren om te overleven - was zij nog steeds getrouwd geweest met haar overspelige echtgenoot, met alle ellende van dien. En partners die elkaar, om welke reden dan ook, volkomen ongelukkig maken, zouden dan tegen wil en dank samen blijven.
Zelf voor iemand die meent dat streven naar geluk binnen een relatie een naïeve houding is van naoorlogse generaties, kan dit toch allerminst een wenselijk vooruitzicht zijn.
Het huwelijk was vroeger voor altijd, stelt Buijssen – jazeker, omdat men destijds geen andere keuze had, op straffe van armoede of sociale uitsluiting. De kwantiteit van het grotere aantal huwelijken dat destijds in stand bleef, zegt immers niets over de kwaliteit van die relaties.
Desondanks schrijft Buijssen ons voor dat we ons neer dienen te leggen bij de keuze die we ooit hebben gemaakt - verandering van gedrag, ideeën, wensen en omstandigheden bij onszelf of bij de ander ten spijt - en ons maar moeten realiseren ieder huwelijk nu eenmaal moeilijke periodes kent.
Hadden we maar minder moeten verwachten van die duurzame relatie.
Dat een huwelijk hard werken is, ups en downs kent, chemie niet eeuwig durend is en sleur immer op de loer ligt, neem ik meteen aan. Maar het gros van de echtscheidingen onder de oorzaakscategorie ‘gebrek aan chemie’ wegzetten, zoals Buijssen doet, getuigt mijns inziens van een groot onbegrip voor en zelfs arrogantie ten opzichte van mensen die het in de relationele sfeer minder goed getroffen hebben. Niet alleen impliceert hij dat de beslissing tot echtscheiding vandaag de dag ‘gemakkelijk’ wordt genomen; ongelukkige huwelijken zijn volgens hem bovendien een kwestie van ‘eigen schuld’, en iets waar de betrokkenen maar mee moeten leren leven.
Maar ik hoef maar even te kijken naar mijn goede vriend wiens huwelijk allang niets meer voorstelt, maar die bij zijn vrouw blijft vanwege de kinderen, om te weten dat een dergelijke situatie mogelijk nog meer narigheid met zich meebrengt. In ieder geval voor een langere periode. En naar mijn vriendin die zich na acht jaar nog steeds schuldig voelt over het verdriet dat haar scheiding haar kinderen heeft aangedaan, om te weten dat scheiden niet ‘zomaar’ wordt gedaan.
Zelf ben ik ruim een jaar geleden getrouwd, om een reden die Buijssen ‘luxe’ noemt: vanwege de liefde die ik voel voor mijn man, en het romantische idee dat een leven met mijn man mij gelukkiger maakt dan een leven zonder hem.
En ik hoop ten zeerste dat het ons gegeven is ons aan onze belofte om voor de rest van ons leven bij elkaar te blijven, te kunnen houden.
Maar mocht er onverhoopt een tijd komen waarop dit voor ons niet meer mogelijk is, dan staat een ding als een paal boven water: namelijk dat aan deze beslissing een zeer veel ernstigere oorzaak ten grondslag zal liggen dan dagelijkse kleine irritiaties, sleur of momenten van onbegrip. Want zoals het overgrote deel van de getrouwden, ben ik niet aan een huwelijk met mijn grote liefde begonnen om dit door een niet opgedraaid tandpastadopje, of welke andere futiliteit dan ook, te laten verbreken.
woensdag 20 oktober 2010
Dat hebben wij weer
Twee dames zitten in het Filmhuis. De film is koud gestart, of er flitsen wat felle kleuren over het scherm, gevolgd door een groot zwart Niets. Het beeld is er even mee opgehouden. Zegt de ene dame tegen de ander: “Jeetje, dat hebben wij weer”.
Deze zin bevat drie stellingen. 1: dat is ons vaker overkomen, en nu gebeurt het WEER. 2: dat overkomt ons, en niemand anders. 3: wat zijn wij toch een pechvogels, we kunnen niet eens even rustig naar de film of ongeluk valt ons ten deel.
Aangezien ik over het eerste punt feitelijk geen uitspraken kan doen omdat ik het verloop van het filmbezoek van de dames niet ken, noch over punt 3, omdat ik niet op de hoogte ben van de levensloop en het daarmee gepaard gaande ongeluk van de dames in kwestie, beperk ik me bij het onderuit halen van hun stelling tot punt 2. En dat is heel gemakkelijk: ook ik, mijn man, en met ons nog een tot de helft gevulde filmzaal viel dit ‘ongeluk’ ten deel. Ongeluk dat nog geen vijf minuten duurde overigens, waarna de film vrolijk verder ging waar hij was gebleven.
Afgezien van de feitelijke onjuistheid, is het vooral de algehele teneur van de stelling die mij mijn tenen doet krommen iedere keer als ik hem hoor. En dat zijn vele keren, voornamelijk uitgesproken door mensen van wie ik met behoorlijke zekerheid kan zeggen dat zij er bepaald geen ongelukkig leven op na houden. Maar een wegopbreking, een lange rij bij de kassa, een uitverkochte film of zelfs een regenbui is voldoende om mensen die gewraakte zin op klagende zin te doen uitspreken. Wat zijn we toch zielig, wij hebben ook altijd pech.
Mijn ex-vriend koesterde om dezelfde reden een dergelijke aversie tegen de titel van een hit van de band Travis: ‘Why does it always rain on me’. “Wat een jankerd, ik zou willen dat die regenbui eens alleen op hem viel en de rest van de wereld droog bleef”, bromde hij steevast bij het horen van het betreffende liedje.
Misschien schuilt in deze reactie wel de sleutel naar de oplossing van onze in mijn ogen mysterieuze voorliefde voor de gewraakte zin.
Misschien is het wel het feit dat we heel goed weten dat niet alleen wij getroffen worden door stroomstoringen, slecht weer en andere ellende, dat ons doet verzuchten dat dit nou precies ons weer moet overkomen. Want het erkennen daarvan vermindert onze kans op medelijden van derden. Daarom proberen we zoveel mogelijk duidelijk te maken dat we zelf toch echt wel een stukje zieliger zijn dan anderen, omdat ons die pech keer op keer, steeds weer, ten deel valt. Want door onszelf als eeuwige pechvogels te bestempelen, halen we uit al die narigheid in ieder geval nog iets positiefs: het recht om te klagen en ons te koesteren in het medelijden dat we met het geweeklaag hopen op te wekken. Dan heeft die onderbroken film in ieder geval niet voor niets het perfecte avondje uit van de dames in het filmhuis verstoord.
Deze zin bevat drie stellingen. 1: dat is ons vaker overkomen, en nu gebeurt het WEER. 2: dat overkomt ons, en niemand anders. 3: wat zijn wij toch een pechvogels, we kunnen niet eens even rustig naar de film of ongeluk valt ons ten deel.
Aangezien ik over het eerste punt feitelijk geen uitspraken kan doen omdat ik het verloop van het filmbezoek van de dames niet ken, noch over punt 3, omdat ik niet op de hoogte ben van de levensloop en het daarmee gepaard gaande ongeluk van de dames in kwestie, beperk ik me bij het onderuit halen van hun stelling tot punt 2. En dat is heel gemakkelijk: ook ik, mijn man, en met ons nog een tot de helft gevulde filmzaal viel dit ‘ongeluk’ ten deel. Ongeluk dat nog geen vijf minuten duurde overigens, waarna de film vrolijk verder ging waar hij was gebleven.
Afgezien van de feitelijke onjuistheid, is het vooral de algehele teneur van de stelling die mij mijn tenen doet krommen iedere keer als ik hem hoor. En dat zijn vele keren, voornamelijk uitgesproken door mensen van wie ik met behoorlijke zekerheid kan zeggen dat zij er bepaald geen ongelukkig leven op na houden. Maar een wegopbreking, een lange rij bij de kassa, een uitverkochte film of zelfs een regenbui is voldoende om mensen die gewraakte zin op klagende zin te doen uitspreken. Wat zijn we toch zielig, wij hebben ook altijd pech.
Mijn ex-vriend koesterde om dezelfde reden een dergelijke aversie tegen de titel van een hit van de band Travis: ‘Why does it always rain on me’. “Wat een jankerd, ik zou willen dat die regenbui eens alleen op hem viel en de rest van de wereld droog bleef”, bromde hij steevast bij het horen van het betreffende liedje.
Misschien schuilt in deze reactie wel de sleutel naar de oplossing van onze in mijn ogen mysterieuze voorliefde voor de gewraakte zin.
Misschien is het wel het feit dat we heel goed weten dat niet alleen wij getroffen worden door stroomstoringen, slecht weer en andere ellende, dat ons doet verzuchten dat dit nou precies ons weer moet overkomen. Want het erkennen daarvan vermindert onze kans op medelijden van derden. Daarom proberen we zoveel mogelijk duidelijk te maken dat we zelf toch echt wel een stukje zieliger zijn dan anderen, omdat ons die pech keer op keer, steeds weer, ten deel valt. Want door onszelf als eeuwige pechvogels te bestempelen, halen we uit al die narigheid in ieder geval nog iets positiefs: het recht om te klagen en ons te koesteren in het medelijden dat we met het geweeklaag hopen op te wekken. Dan heeft die onderbroken film in ieder geval niet voor niets het perfecte avondje uit van de dames in het filmhuis verstoord.
maandag 4 oktober 2010
Getrouwd: Flappie en Vlekkie, hoera!
Onze neiging om onze honden en katten als mensen te zien, gaat soms wel erg ver
Door Suzanne van den Eynden, gepubliceerd in nrc next op dinsdag 5 oktober 2010
“Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops”, meldt het nieuwe regeerakkoord tussen VVD en CDA. Heel goed. Dierenmishandeling is vreselijk en daar moet hard tegen opgetreden worden.
Maar de politie is toch een bij uitstek voor mensen ingesteld orgaan. Dat de politie haar werkterrein nu moet uitbreiden naar de dieren, past in de trend in Nederland om dieren te vermenselijken.
Zo ontving ik laatst een geboortekaartje. Op de voorkant prijkte een grote grijnzende kater, en de woorden: ‘Poekie de kat is blij, want hij heeft er een vriendje bij.’
Niet de trotse ouders of het blije broertje en zusje, maar het huisdier kreeg hier de eer om de komst van het nieuwe gezinslid aan te kondigen. Ouders, broer en zus kwamen pas aan de binnenkant van het kaartje om de hoek kijken. Hiermee moest ik onder ogen zien dat het ondenkbare niet meer te ontkennen valt: het huisdier vermenselijkt.
Natuurlijk, in tijden van onzekerheid is de mens sterk geneigd terug te grijpen op betrouwbare, vaste waarden in het leven. Bij een economische crisis koesteren we waar mogelijk ons vaste contract. De huizenmarkt stort in? We blijven voor de zekerheid maar zitten waar we zitten, al is het drie hoog achter. En in een wereld waarin ‘ontvrienden’ aan de orde van de dag is, en we dagelijks bij het openen van onze online netwerksites maar weer moeten afwachten of ons vriendenaantal niet is afgenomen, grijpen we terug op de enige relatie die onvoorwaardelijk kan worden genoemd: die met het huisdier.
De enige echte vriend voor het leven. De enige waarvan we zeker weten dat deze de vriendschap niet verbreekt, die nog weet wat eeuwige trouw inhoudt, en die als enige tegenprestatie wenst om gevoederd, geaaid en eventueel uitgelaten te worden.
Maar dit laatste is niet voldoende meer, zo wordt mij inmiddels steeds duidelijker. Tenminste: voor de huisdierenbezitter dan. Gezien de bovenmenselijke vermogens tot liefde en trouw waar het dier toe in staat is, maakt het beschouwen van het huisdier als ‘slechts’ een knuffelmaatje dat aan ons dient te gehoorzamen, blijkbaar niet voldoende duidelijk hoe gek we erop zijn. Met als gevolg dat dieren in toenemende mate behandeld worden als menselijk wezen - met alle rechten, privileges en vermogens van dien.
Zo ontving ik ooit een trouwkaart waarop namens de hond het voorgenomen huwelijk tussen de twee geliefden werd aangekondigd. Ik ken hyvesgebruikers die bij wijze van profielfoto een afbeelding van een huisdier op hun pagina hebben staan. Op rouwadvertenties is in het lijstje van nabestaanden regelmatig een afdruk van een honden- of kattenpoot te vinden. Ooit kwam ik zelfs een rouwadvertentie exclusief voor de overleden hond tegen. Alleen het zinnetje onderaan, ‘Bello hield van Felix hondenbrokken’, ontbrak nog.
Waar relaties met menselijke vrienden die te hard op het persoonlijke budget drukken (nooit een rondje geven bijvoorbeeld) meestal een stille dood sterven, geldt dit niet voor het huisdier. Een kennis met financiële problemen schopte me nog net niet voor mijn schenen toen ik voorzichtig aankaartte dat haar budget er een stuk rooskleuriger voor zou staan zonder haar twee bejaarde katten, waar ze gemiddeld eens per maand een forse dierenartsrekening voor kon ophoesten. Hoe durfde ik. Die katten waren haar alles. Dat ze voor iedere onvoorziene uitgave geld moest lenen, en regelmatig brood met pindakaas als avondmaaltijd nuttigde, deerde haar niet.
Een van de weinige zaken die huisdieren vandaag de dag nog van mensen onderscheidt, is het feit dat dieren in tegenstelling tot mensen gevrijwaard lijken van alle plichten en fatsoensnormen die menselijke wezens elkaar maar al te graag opleggen. Geluids- dan wel stankoverlast, ongewenste aanrakingen, het betreden van privéterrein; we pikken het over het algemeen van niemand.
Honden en katten genieten echter een status aparte waar het fatsoen betreft. De meeste ouders zouden hun kinderen wel tot de orde roepen wanneer het op een wildvreemde af zou stormen, op een terras van tafel naar tafel zou scharrelen en drankjes om zou gooien. Maar als ik tijdens een strandwandeling wordt besprongen door een groot, en in mijn ogen eng exemplaar, en ik aan het baasje laat weten hier niet van gediend te zijn, kan ik een snauw krijgen. Hoe durf ik Rambo niet leuk te vinden. “Hij doet niets hoor.” Hondenvrij seizoen op het strand? Afgelopen zomer ging geen enkele strandpicknick niét vergezeld van een rondstruinende viervoeter, die zijn zinnen had gezet op mijn brood met tapenade. De baasjes stonden erbij en keken ernaar. De twee buurhonden – bepaald geen pekineesjes - van vrienden van me hadden de ontluisterende gewoonte hun behoefte in de eigen tuin te doen, waarvan de odeur zich niet beperkte tot de grenzen van de tuin van de baasjes. Menig tuinmoment van mijn vrienden werd bedorven door de penetrante walm van verse hondenuitwerpselen.
Nog nooit heeft het huisdier het beter voor elkaar gehad dan anno 2010. Het geniet menselijke privileges, het mag alles en dient door een ieder geliefd of tenminste geaccepteerd te worden, en heeft zelfs een politieke partij dat voor zijn belangen opkomt.
Als de vermenselijking van het huisdier in dit tempo doorgaat, is het wachten een geboortekaartje van een zojuist ter wereld gekomen pup. Of een uitnodiging voor het trouwfeest van Vlekkie en Flappie.
Maar ook op de dag dat een internetondernemer met LinkCat en FaceDog op de proppen komt. En dan zal onherroepelijk blijken dat niets menselijks het huisdier vreemd is, zelfs ‘ontvrienden’ niet. En het kan toch nooit de bedoeling zijn geweest dat we straks ontvriend worden door onze eigen huisdieren?
Om dit risico te vermijden, is het wellicht verstandig om de mens-dierverwarring een halt toe te roepen, en dieren gewoon weer te beschouwen als trouwe makkers die gevoerd, geaaid en – in vredesnaam, aan de lijn! - uitgelaten moeten worden. Met de rechten en plichten die bij diéren horen. En zonder privileges waar zelfs mensen jaloers op kunnen zijn.
Door Suzanne van den Eynden, gepubliceerd in nrc next op dinsdag 5 oktober 2010
“Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops”, meldt het nieuwe regeerakkoord tussen VVD en CDA. Heel goed. Dierenmishandeling is vreselijk en daar moet hard tegen opgetreden worden.
Maar de politie is toch een bij uitstek voor mensen ingesteld orgaan. Dat de politie haar werkterrein nu moet uitbreiden naar de dieren, past in de trend in Nederland om dieren te vermenselijken.
Zo ontving ik laatst een geboortekaartje. Op de voorkant prijkte een grote grijnzende kater, en de woorden: ‘Poekie de kat is blij, want hij heeft er een vriendje bij.’
Niet de trotse ouders of het blije broertje en zusje, maar het huisdier kreeg hier de eer om de komst van het nieuwe gezinslid aan te kondigen. Ouders, broer en zus kwamen pas aan de binnenkant van het kaartje om de hoek kijken. Hiermee moest ik onder ogen zien dat het ondenkbare niet meer te ontkennen valt: het huisdier vermenselijkt.
Natuurlijk, in tijden van onzekerheid is de mens sterk geneigd terug te grijpen op betrouwbare, vaste waarden in het leven. Bij een economische crisis koesteren we waar mogelijk ons vaste contract. De huizenmarkt stort in? We blijven voor de zekerheid maar zitten waar we zitten, al is het drie hoog achter. En in een wereld waarin ‘ontvrienden’ aan de orde van de dag is, en we dagelijks bij het openen van onze online netwerksites maar weer moeten afwachten of ons vriendenaantal niet is afgenomen, grijpen we terug op de enige relatie die onvoorwaardelijk kan worden genoemd: die met het huisdier.
De enige echte vriend voor het leven. De enige waarvan we zeker weten dat deze de vriendschap niet verbreekt, die nog weet wat eeuwige trouw inhoudt, en die als enige tegenprestatie wenst om gevoederd, geaaid en eventueel uitgelaten te worden.
Maar dit laatste is niet voldoende meer, zo wordt mij inmiddels steeds duidelijker. Tenminste: voor de huisdierenbezitter dan. Gezien de bovenmenselijke vermogens tot liefde en trouw waar het dier toe in staat is, maakt het beschouwen van het huisdier als ‘slechts’ een knuffelmaatje dat aan ons dient te gehoorzamen, blijkbaar niet voldoende duidelijk hoe gek we erop zijn. Met als gevolg dat dieren in toenemende mate behandeld worden als menselijk wezen - met alle rechten, privileges en vermogens van dien.
Zo ontving ik ooit een trouwkaart waarop namens de hond het voorgenomen huwelijk tussen de twee geliefden werd aangekondigd. Ik ken hyvesgebruikers die bij wijze van profielfoto een afbeelding van een huisdier op hun pagina hebben staan. Op rouwadvertenties is in het lijstje van nabestaanden regelmatig een afdruk van een honden- of kattenpoot te vinden. Ooit kwam ik zelfs een rouwadvertentie exclusief voor de overleden hond tegen. Alleen het zinnetje onderaan, ‘Bello hield van Felix hondenbrokken’, ontbrak nog.
Waar relaties met menselijke vrienden die te hard op het persoonlijke budget drukken (nooit een rondje geven bijvoorbeeld) meestal een stille dood sterven, geldt dit niet voor het huisdier. Een kennis met financiële problemen schopte me nog net niet voor mijn schenen toen ik voorzichtig aankaartte dat haar budget er een stuk rooskleuriger voor zou staan zonder haar twee bejaarde katten, waar ze gemiddeld eens per maand een forse dierenartsrekening voor kon ophoesten. Hoe durfde ik. Die katten waren haar alles. Dat ze voor iedere onvoorziene uitgave geld moest lenen, en regelmatig brood met pindakaas als avondmaaltijd nuttigde, deerde haar niet.
Een van de weinige zaken die huisdieren vandaag de dag nog van mensen onderscheidt, is het feit dat dieren in tegenstelling tot mensen gevrijwaard lijken van alle plichten en fatsoensnormen die menselijke wezens elkaar maar al te graag opleggen. Geluids- dan wel stankoverlast, ongewenste aanrakingen, het betreden van privéterrein; we pikken het over het algemeen van niemand.
Honden en katten genieten echter een status aparte waar het fatsoen betreft. De meeste ouders zouden hun kinderen wel tot de orde roepen wanneer het op een wildvreemde af zou stormen, op een terras van tafel naar tafel zou scharrelen en drankjes om zou gooien. Maar als ik tijdens een strandwandeling wordt besprongen door een groot, en in mijn ogen eng exemplaar, en ik aan het baasje laat weten hier niet van gediend te zijn, kan ik een snauw krijgen. Hoe durf ik Rambo niet leuk te vinden. “Hij doet niets hoor.” Hondenvrij seizoen op het strand? Afgelopen zomer ging geen enkele strandpicknick niét vergezeld van een rondstruinende viervoeter, die zijn zinnen had gezet op mijn brood met tapenade. De baasjes stonden erbij en keken ernaar. De twee buurhonden – bepaald geen pekineesjes - van vrienden van me hadden de ontluisterende gewoonte hun behoefte in de eigen tuin te doen, waarvan de odeur zich niet beperkte tot de grenzen van de tuin van de baasjes. Menig tuinmoment van mijn vrienden werd bedorven door de penetrante walm van verse hondenuitwerpselen.
Nog nooit heeft het huisdier het beter voor elkaar gehad dan anno 2010. Het geniet menselijke privileges, het mag alles en dient door een ieder geliefd of tenminste geaccepteerd te worden, en heeft zelfs een politieke partij dat voor zijn belangen opkomt.
Als de vermenselijking van het huisdier in dit tempo doorgaat, is het wachten een geboortekaartje van een zojuist ter wereld gekomen pup. Of een uitnodiging voor het trouwfeest van Vlekkie en Flappie.
Maar ook op de dag dat een internetondernemer met LinkCat en FaceDog op de proppen komt. En dan zal onherroepelijk blijken dat niets menselijks het huisdier vreemd is, zelfs ‘ontvrienden’ niet. En het kan toch nooit de bedoeling zijn geweest dat we straks ontvriend worden door onze eigen huisdieren?
Om dit risico te vermijden, is het wellicht verstandig om de mens-dierverwarring een halt toe te roepen, en dieren gewoon weer te beschouwen als trouwe makkers die gevoerd, geaaid en – in vredesnaam, aan de lijn! - uitgelaten moeten worden. Met de rechten en plichten die bij diéren horen. En zonder privileges waar zelfs mensen jaloers op kunnen zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)